Sterke achteruitgang van de grutto in het Wormer- en Jisperveld vanaf 2001 door gebrek aan grotere insecten

Grutto2.jpg

In het Wormer- en Jisperveld, het grootste aaneengesloten veenweidegebied van West-Europa en één van de best bewaarde voorbeelden van het West-Nederlandse laagveenlandschap, werd in 2007 een sterke achteruitgang van weidevogels zoals grutto Limosa limosa en kievit Vanellus vanellus vastgesteld t.o.v. 2004 (zie bijlage). Tussen 1980 en 2001 was het aantal broedparen gruttos min of meer constant. Van 2001 tot 2004 is de daling ingezet met ca 1 % per jaar. In de periode daarop, van 2004 tot 2006 loopt de daling op naar bijna 5 % echter in 2007 is er een achteruitgang van meer dan 22% gemeten. Begin mei 2007, rond het uitkomen van de gruttonesten, en midden mei als de kuikens een grote voedselbehoefte hebben werden in vijf polders in Noord-Holland (de Hempolder, het Wormer- en Jisperveld, Waterland, de Ronde Hoep, de Bovenkerkerpolder) en één in Utrecht (Bosdijk-Donkereind) insecten bemonsterd (met behulp van plakstrips), zie bijlage. Verschillende beheertypen werden bemonsterd: gemaaide en beweide percelen, percelen met uitgesteld maaien bij boeren en binnen reservaten, gangbaar beheerde percelen met lang gras en vluchtstrookpercelen. Op alle percelen werd ook de mate van structuur bepaald en de gemiddelde grashoogte. De resultaten laten zien dat het aantal grote insecten (> 4 mm), cruciaal als voedsel voor grutto kuikens, na begin mei sterk afneemt. Ook in percelen waar niets gebeurt neemt het aantal grote insecten af. Deze resultaten zijn in overeenstemming met de sterke achteruitgang van grotere loopkeversoorten (> 8 mm) in Nederlandse veenweidegebieden die voornamelijk wordt toegeschreven aan de intensivering van de landbouw en een hoger gebruik van pesticiden (gecombineerd met de langere levenscyclus van grotere loopkever soorten). Deze gegevens wijzen erop dat het voedselaanbod voor gruttokuikens wel eens beperkend zou kunnen zijn.

Insecticiden en de achteruitgang van de groene glazenmaker in de Reeuwijkse Plassen

groene glazenmaker.jpg

Een van de kenmerkende soorten van het Zuid-Hollandse veenlandschap is de groene glazenmaker Aeshna viridis, een vrij grote libel (ongeveer zeven centimeter lang). De groene glazenmaker wordt in zijn voortbestaan bedreigd en zit in Zuid-Holland voor een groot deel in agrarisch gebied. In de provincie Zuid-Holland wordt op een tiental locaties de populaties van de groene glazenmaker vanaf 1998 jaarlijks geteld. In 1999 werden de hoogste aantallen aangetroffen. Daarna is het algemene beeld een dalende trend. In 2002 waren er veel routes die geen waarnemingen meer opleverden. De grote populatie van de groene glazenmaker in het Reeuwijkse Plassengebied (dertien plassen tussen Bodegraven en Gouda) lijkt de laatste jaren in omvang te zijn afgenomen. De Reeuwijkse plassen behoort tot de plaatsen waar de aantallen van de insectenetende grote karekiet eveneens sterk zijn afgenomen. In het oppervlaktewater van de landbouwgronden rondom de Reeuwijkse Plassen (die bij hevige regenval water aan de plassen leveren) zijn vanaf 2004 zeer hoge concentraties van insecticiden gemeten, die een dodelijke bedreiging voor insecten vormen.

Insecticiden in oppervlaktewater bedreigen zeldzame rietvogels in de Oostvaardersplassen

baardman.jpg

De Oostvaardersplassen is een van de belangrijkste moerasgebieden in Nederland en een vooraanstaand broedgebied van zeldzame rietvogels zoals baardman Panurus biarmicus, porseleinhoen Porzana porzana, snor Locustella luscinioides, roerdomp Botaurus stellaris en lepelaar Platalea leucorodia. De visetende roerdomp en lepelaar doen het uitstekend in de Oostvaardersplassen (zie bijlage) en vertonen ook landelijk sinds 1990 een matige respectievelijk sterke toename. Veel minder rooskleurig is de situatie voor baardman en porseleinhoen, die van insecten en andere ongewervelden afhankelijk zijn en landelijk sinds 1990 een matige afname laten zien (zie bijlage). Een verband tussen deze afname en insectenschaarste als gevolg van milieuverontreiniging met insecticiden kan niet worden uitgesloten. In de Roerdomptocht zijn in 2004 en in 2006 imidacloprid concentraties van 760 respectievelijk 1000 nanogram per liter gemeten. Nabij de Fluittocht werden in 2005 en 2006 parathion-methyl en propoxur concentraties van respectievelijk 990 en 1000 nanogram per liter gemeten. Er kan weinig twijfel bestaan dat deze milieuvervuiling een bedreiging voor insecten vormt.

Soortbeschermingsplan moerasvogels: achteruitgang insecteneters, vooruitgang viseters sinds 1990

porseleinhoen.jpg

Het beschermingsplan moerasvogels heeft verschillende doelen op de korte termijn (2000-2004). Het eerste doel is het stoppen van de afname (die in de laatste decennia is opgetreden) in landelijke aantallen en/of verspreiding van baardman (Panurus biarmicus), blauwe kiekendief (Circus cyaneus), grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus), kwak (Nycticorax nycticorax), porseleinhoen (Porzana porzana), purperreiger (Ardea purpurea), roerdomp (Botaurus stellaris), snor (Locustella luscinioides), woudaap (Ixobrychus minutus) en zwarte stern (Chlidonias niger). Een tweede korte termijndoel is het behoud van aantallen en verspreiding van blauwborst (Luscinia svecica), krooneend (Netta rufina) en lepelaar (Platalea leucorodia). Drie moerasvogelsoorten die zich in de broedtijd voeden met insecten en andere ongewervelden (grote karekiet, baardman, porseleinhoen) vertonen sinds 1990 een matige tot sterke afname, terwijl alle visetende moerasvogelsoorten (roerdomp, woudaap, purperreiger, lepelaar en kwak) sinds 1990 een matige tot sterke toename laten zien (zie bijlage). Deze gegevens doen sterk vermoeden dat er een gebrek aan insecten als voedingsbron voor vogelsoorten is ontstaan.

De oppervlaktewater verontreiniging met insecticiden rondom de Reeuwijkse plassen bedreigt de grote karekiet

Grote Karekiet.jpg

Het Reeuwijkse Plassengebied (dertien plassen tussen Bodegraven en Gouda) behoort tot de plaatsen waar, ook in de jaren 90, de aantallen van de grote karekiet Acrocephalus arundinaceus sterk bleven afnemen. In 1975 werden nog 90-100 territoria geconstateerd, in 1993 nog 40, in 1997 de helft en in 2000 nog maar 14 territoria. In 2004 bleeef de teller op 8 territoria staan, in 2005 op 6 territoria. De grote karekiet nestelt langs de randen van rietmoerassen en langs grote open wateren met brede waterrietzones. Het voedsel van de grote karekiet bestaat vooral uit water- en oeverinsecten zoals libellen en waterkevers. In het oppervlaktewater van de landbouwgronden rondom de Reeuwijkse Plassen (die bij hevige regenval water aan de plassen leveren) zijn vanaf 2004 zeer hoge concentraties van insecticiden (waaronder imidacloprid) gemeten, die een dodelijke bedreiging voor insecten vormen.

Insecticiden in oppervlaktewater van Goeree-Overflakkee bedreigen wilde bijensoorten en strandplevier

moshommel.jpg

De moshommel Bombus muscorum kwam voor 1980 verspreid over heel Nederland voor, met name in het westen van het land. In Zuid-Holland komt de moshommel nu slechts nog voor in enkele buitendijkse gebieden in de Delta. Op de Beninger Slikken en Tiengemeten zijn nog grote populaties aanwezig, maar de populatie van de moshommel op de Slikken van Flakkee is vermoedelijk klein. Op de Hompelvoet was de populatie rond 2000 groot, maar lijkt imiddels bijna verdwenen te zijn. Ook met de overige wilde bijensoorten van het eiland gaat het slecht. De Slikken van Flakkee zijn de belangrijkste broedplaats in Noordwest-Europa van de Strandplevier Charadrius alexandrinus. Sinds de jaren 1970 is de landelijke broedpopulatie van de strandplevier sterk in aantal afgenomen: van 700-900 paren in de periode 1973-1977, naar 500-700 paren in 1979-1985, naar 330-370 paren in 1993-1997 en vervolgens naar 270-320 paren in 1998-2000. Het gemiddelde uitvliegsucces van de strandplevier in het Deltagebied in de periode 2000-2005 bedroeg slechts 0,39 jong/paar, waardoor deze soort met uitsterven wordt bedreigd. Het aantal broedparen van de Strandplevier op de Slikken van Flakkee is in 2008 verder gedaald (32 paren tegenover 62 paren in 2007). Het voedsel van de standplevier bestaat uit ongewervelden van de bodem- en waterfauna waaronder ook insecten. In 2007 zijn in het oppervlaktewater van Goeree-Overflakkee hoge normoverschrijdingen van insecticiden (imidacloprid en carbendazim) gemeten, die een acute bedreiging voor insecten vormen.

Achteruitgang van loopkevers en insectenetende vogelsoorten in het Nationaal Park Dwingelderveld

dwingel.jpg

Het Dwingelderveld neemt niet alleen in Nederland maar in heel Noord-West Europa een unieke plaats in vanwege het grote oppervlak natte heide. Vanwege dit unieke karakter is het gebied in 1991 uitgeroepen tot Nationaal Park. In dat jaar heeft ook een grootschalige inventarisatie plaats gevonden van de loopkevers in dit gebied door Sjouke van Essen. Als toppredatoren van het bodemsysteem zijn loopkevers (op de bodem) en hun larven (in de bodem) gevoelig voor alle processen die zich in die bodem afspelen. Loopkevers zijn ecologisch de best onderzochte groep evertebraten. Ze worden geacht indicatief te zijn voor alle andere groepen aan de bodem gebonden evertebraten. Het aantal loopkeversoorten in het Dwingelderveld is afgenomen ten opzichte van 1991. Waren er in 1991 nog 94 soorten gevangen, waren dat er in 2008 nog 79. Tegenover 45.000 gevangen loopkevers in 1991 staan er slechts 15.000 in 2008, beduidend minder. In dezelfde periode zijn de broedpopulaties van twee bedreigde insectenetende vogelsoorten (het paapje Saxicola rubetra en de tapuit Oenanthe oenanthe) in het Dwingelderveld sterk achteruit gegaan.

Sterke afname van dagvlinders sinds de invoering van imidacloprid - West-Nederland opvallend arm aan vlinders

BX80DCAT28AASCAPZN2R5CA14E80XCAHBFLQMCAB3CX82CAY3XG5ICAWPS7IYCA4MKO7ZCAESDB67CA6LRKCYCAI1AJO5CAC4JMUUCA3I4S9JCAAW96ZGCAPJWYS9CAKUVFUWCANMGROWCAB60HQU.jpg

In Nederland was het aantal vlinders nog nooit zo laag als in 2008. Op een gemiddelde algemene route werden nog geen 480 vlinders geteld. In het topjaar 1995 waren dat er meer dan 1000, in 2007 nog bijna 570. Buiten de duinen is West-Nederland opvallend arm aan vlinders. Sinds 1994 wordt het voor insecten zeer giftige insecticide imidacloprid in toenemende mate gebruikt in de Nederlandse land- en tuinbouw, met een zware belasting van het oppervlaktewater met dit insecticide als gevolg, vooral in West-Nederland. Een verband tussen de neergang van dagvlinders en het toenemende gebruik van imidacloprid kan niet worden uitgesloten.

Imidaclopridgebruik in Nederland sinds 1995 vertienvoudigd met zware oppervlaktewaterverontreiniging als gevolg

insecticide.jpg

In 1995 gebruikten 2.381 bedrijven op een oppervlakte van 5.335 hectare in totaal 668 kilogram imidacloprid. In 2004 gebruikten 8.683 bedrijven op een oppervlakte van 39.691 hectare in totaal 6.332 kilogram imidacloprid. In 2008 werd op een oppervlakte van 34.577 hectare in totaal 6.027 kilogram imidacloprid gebruikt. Vier nanogram (= 0,000000000004 kilogram) imidacloprid zijn dodelijk voor een honingbij. Het gebruik van imidacloprid in de land- en tuinbouw heeft extreme verontreiniging van het Nederlandse oppervlaktewater veroorzaakt, onder andere omdat de stof door neerslag gemakkelijk wordt uitgespoeld naar het grondwater. In de glastuinbouw wordt met imidacloprid zwaar verontreinigd spuiwater direct geloosd vanuit het recirculatiesysteem.

Imidacloprid in milieu veroorzaakt insectensterfte en verklaart neergang van vogelsoorten

zwaluw.jpg

Watermuggen (Chironomus tentans) zijn een veelgebruikte insecten soort voor water toxiciteitstesten met bestrijdingsmiddelen. Bij blootstelling van watermuggen aan imidacloprid over een periode van 28 dagen werd door onderzoekers van het Canadese National Water Research Institute de gemiddelde letale concentratie (LC50) vastgesteld op 910 nanogram per liter. Een vergelijkbare toxiciteit is aangetoond voor honingbijen: het voeden van honingbijen op suikerwater dat 1000 nanogram imidacloprid per liter bevatte leidde na 8 dagen tot sterfte. De concentraties van imidacloprid in het Nederlandse oppervlaktewater, vooral in de Randstad, liggen regelmatig veel hoger en vormen daarmee een dodelijke bedreiging voor insecten. Recentelijk werd ook aangetoond dat de blootstellingstijd een versterkende werking op de toxiciteit van imidacloprid voor ongewervelde dieren kan hebben. Dat betekent dat chronische blootstelling aan zeer lage imidacloprid concentraties sterfte van ongewervelde dieren tot gevolg kan hebben. Dergelijke versterkende werkingen van de blootstellingstijd op toxiciteit waren tot nu alleen bekend voor kankerverwekkende stoffen, zoals nitrosamines (zie bijlage). De schadelijke werking van dergelijke stoffen is irreversibel (en irreparabel) en cumulatief. Imidacloprid heeft een lange halfwaardetijd in bodem en water en chronische blootstelling van ongewervelde diersoorten aan deze stof is daardoor dus zeer waarschijnlijk.

Syndicate content