Sterke afname van boerenlandvogels in het tijdvak 1973 - 75 tot 1998 - 2000

steenuil.jpg

Rond de eeuwwisseling werd een dramatische afname van populaties van vogels die met landbouw geassocieerd zijn vastgesteld te opzichte van de zeventiger jaren. Behalve diverse soorten weidevogels zijn sprekende voorbeelden onder andere Patrijs, Steenuil, Veldleeuwerik, Boerenzwaluw, Ringmus, Ortolaan en Grauwe Gors. Voor sommige soorten is deze afname dramatisch (meer dan 80%). De Ortolaan en Grauwe Gors zijn inmiddels uitgestorven in Nederland.

Sterke afname van weidevogels in Nederland sinds de invoering van imidacloprid

weidevogel1.jpg

Weidevogels namen in de periode 1990-2000 in het agrarisch gebied jaarlijks met 1.2% af. Sinds 2000 is die jaarlijkse afname bijna verviervoudigd (4.6%). Sinds 2000 vertonen alle 9 onderzochte soorten weidevogels (veldleeuwerik (Alauda arvensis), slobeend (Anas clypeata), gele kwikstaart (Motacilla flava), scholekster (Haematopus ostralegus), grutto (Limosa limosa), kievit (Vanellus vanellus), tureluur (Tringa totanus), graspieper (Anthus pratensis) en kuifeend (Aythya fuligula)) jaarlijks een afname in aantal. De veldleeuwerik is koploper in achteruitgang met een jaarlijkse afname van 9,2%. Vooral de ontwikkeling in de laagveengebieden van West-Nederland draagt hieraan bij (met een jaarlijkse afname van weidevogels van 13%). Insecten spelen een cruciale rol als voedselbron in de eerste levensfase van weidevogelsoorten zoals kievit, grutto, tureluur, scholekster, veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart. Sinds 1994 wordt het voor insecten zeer giftige insecticide imidacloprid in toenemende mate gebruikt in de Nederlandse land- en tuinbouw, met een zware belasting van het oppervlaktewater met dit insecticide als gevolg, vooral in West-Nederland. Een verband tussen de neergang van weidevogels en insectensterfte door het toenemende gebruik van imidacloprid kan niet worden uitgesloten.

Vragen van het lid Jansen (SP) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

7921_tcm118-114632.jpg

Vragen van het lid Jansen (SP) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over imidacloprid en thiacloprid in relatie tot bijensterfte (Ingezonden 2 augustus 2010).
1. Onderschrijft u de conclusie van toxicoloog Henk Tennekes 1) dat in de praktijk imidacloprid en thiacloprid veel langzamer worden afgebroken dan gedacht, dat zij daardoor langer schadelijk blijven voor bijen en bovendien al schadelijk blijken bij een minimale hoeveelheid? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke vervolgacties, zoals een herziening van het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten, acht u noodzakelijk?

Vragen van het lid Thieme (PvdD) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

7929_tcm118-114689.jpg

Vragen van het lid Thieme (PvdD) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over nieuwe feiten omtrent de schadelijkheid van bestrijdingsmiddelen voor bijen. (Ingezonden 30 juli 2010). Thieme vraagt o.a. "Hoe beoordeelt u de conclusie dat langer durende blootstelling de giftige werking van neonicotinoide insecticiden versterkt en dat dit verklaart waarom ook zeer geringe hoeveelheden van deze stoffen in het milieu in de loop van de tijd een dodelijke werking op ongewervelde dieren, met daaronder ook bijen, hebben? Welke consequenties verbindt u daaraan?"

Kenmerkende libellensoorten van laagveenmoerassen zijn sterk achteruit gegaan

gevlekte witsnuitlibel.jpg

De groep van kenmerkende libellensoorten van laagveenmoerassen is in de loop van de 20e eeuw sterk achteruitgegaan, waaronder de gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis en de Noordse winterjuffer Sympecma paedisca. Tot de jaren 1970 was de noordse winterjuffer vrij algemeen in Midden- en Noord-Nederland, maar in de jaren erna is de soort sterk achteruitgegaan en in de jaren 1990 waren alleen populaties bekend in de Weerribben en de Kuinderplas (Noordoostpolder). Tussen 1900 en 1950 had de gevlekte witsnuitlibel een behoorlijk ruime verspreiding in Nederland (de populatie moet toen bestaan hebben uit enkele tientallen locaties met wellicht in totaal 10.000 dieren per jaar). Het huidige zwaartepunt van de verspreiding van deze soort ligt in de Wieden en Weerribben en het Vechtplassengebied. Vroeger kwam de gevlekte witsnuitlibel ook voor op de zandgronden van oostelijk en zuidelijk Nederland en ook in de duinen zijn tot in de jaren zestig omvangrijke populaties aanwezig geweest. Tegenwoordig bevinden zich in deze regio's slechts enkele kleine en meestal tijdelijke populaties.

Drastische achteruitgang van steenvlieg Leuctra nigra op Nationaal Park de Meinweg sinds 1988

stonefly.jpg

Nationaal Park De Meinweg staat al lang bekend als een uitzonderlijk gebied voor eendagsvliegen (de oudste orde van aquatische insecten) en steenvliegen (een van de meest primitieve groepen van waterbewonende insecten). Van eendagsvliegen of haften (Ephemeroptera) zijn van 60 in Nederland voorkomende soorten na 1970 nog maar 33 soorten aangetroffen. Van steenvliegen (Plecoptera) zijn van 28 in Nederland voorkomende soorten na 1955 nog maar 10 soorten aangetroffen. Van de actuele Nederlandse steenvliegfauna komt maar liefst de helft voor op de Meinweg. Van de populatie van de in Nederland zeer zeldzame steenvlieg Leuctra nigra werden tot 1988 regelmatig tientallen tot honderden exemplaren aangetroffen in de Bosbeek op de Meinweg, na die tijd is nog slechts incidenteel een enkel exemplaar verzameld. Steenvliegen zijn extreem gevoelig voor neonicotinoide insecticiden: thiacloprid had een dodelijke werking op Nemoura cinerea bij een concentratie van 100 nanogram per liter.

Bijna alle insectengroepen gaan in Nederland achteruit

steenvlieg.jpg

Dat geldt zowel voor de groepen die als larve aan water zijn gebonden, zoals haften, libellen en steenvliegen, als ook bij groepen die geheel op het land leven. De relatief grootste achteruitgang is geconstateerd bij de steenvliegen. Door watervervuiling en normalisering van beken en rivieren verdwenen voor 1940 14 van de 28 inheemse soorten, tot 1960 nog eens vijf, en van de resterende negen soorten zijn er vier zéér lokaal en is één in de Geul levende soort al meer dan tien jaar niet waargenomen. Van de 60 soorten inheemse libellen worden er 15 in hun voortbestaan bedreigd; van de 76 soorten inheemse dagvlinders wordt voor 30 soorten gevreesd.

De gestreepte waterroofkever is sinds 1980 uit grote delen van Nederland verdwenen

gestreepte waterroofkever.jpg

De gestreepte waterroofkever Graphoderus bilineatus is momenteel de enige in Nederland voorkomende waterkever met een wettelijk beschermde status. Met een lengte van ongeveer 15 mm behoort G. bilineatus tot de grotere soorten waterroofkevers. Binnen het Europese verspreidingsgebied (vooral in het westen) lijkt de soort sterk achteruit te zijn gegaan gedurende de laatste decennia. Voor 1980 werd de soort in grote delen van ons land (met uitzondering van de brakke kustgebieden) gevonden maar is sinds 1980 op veel plaatsen niet meer waargenomen. De recente vindplaatsen zijn de Nieuwkoopse Plassen, het Vechtplassengbied, Noordwest-Overijssel en de omstreken van Heerenveen. De soort komt in Zuid-Holland buiten de Nieuwkoopse Plassen vrijwel zeker niet meer voor. De oorzaken van de achteruitgang moeten vooral gezocht worden in verslechterde waterkwaliteit.

De visetende moerasvogel: de Nederlandse lepelaar populatie is vanaf 1981 sterk toegenomen

lepelaar.jpg

Het gaat de Lepelaar Platalea leucorodia in Nederland voor de wind. Vanaf 1981 is de landelijke broedpopulatie van de lepelaar sterk toegenomen. De populatie op de Waddeneilanden is in een kwart eeuw vertienvoudigd. Bijna tweederde (gemiddeld 63%) van de lepelaars broedt tegenwoordig op de Waddeneilanden. Het IJsselmeergebied (voornamelijk Oostvaardersplassen) en het Deltagebied (vooral Quackjeswater) volgen met elk een aandeel van 15-16%. In moerassen broeden lepelaars in overjarig waterriet, waar ophoping van dood riet heeft plaatstgevonden, dat wordt gebruikt als nestmateriaal. Het hoofdvoedsel van de lepelaar bestaat uit vis.

De purperreiger populatie groeit gestaag sinds 1990 dankzij aanbod aan vis in veenweidegebied

purperreiger.jpg

In tegenstelling tot de leegloop (in de veenweiden van West-Nederland) van kievit, grutto, tureluur, scholekster, veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart (weidevogelsoorten die afhankelijk zijn van het aanbod aan insecten) is de Purperreiger Ardea purpurea broedvogel populatie in Nederland sinds 1990 met ongeveer 160% toegenomen: in 1990 270-280 paren in 17 kolonies en in 2008 702 in 25 kolonies. Daarmee heeft deze soort zich aanzienlijk weten te herstellen van een inzinking in de jaren zeventig en tachtig, veroorzaakt door droogte in de overwinteringsgebieden (Sahel) en habitatverslechtering in de broedgebieden. Purperreigers zoeken hun voedsel, dat voornamelijk uit kikkers, vis, (larven van) waterinsecten, kevers en muizen bestaat, langs sloten. Vooral het veenweidegebied met zijn talloze ondiepe en vaak soortenrijke sloten is een ideale habitat voor de purperreiger. Recent onderzoek in veenweiden toonde aan dat de dichtheid aan purperreigers in een polder in belangrijke mate werd verklaard door het aanbod aan vis. Naarmate er meer verschillende soorten en grotere hoeveelheden vis aanwezig waren in een polder werden er meer reigers geteld.

Inhoud syndiceren