Intensieve landbouw verdrijft de steenuil van het boerenland

uilen.jpg

De Steenuil (Athena noctua) is een vogel van het halfopen agrarische landschap met houtwallen en een korte vegetatie. Op plaatsen waar de vegetatie kort is, wordt lopend, huppend en soms rennend gejaagd op insecten en wormen. Regenwormen en insecten vormen met 75% het hoogste aandeel van het voedsel van de Steenuil. Bij de Steenuil lijkt zich dezelfde teruggang in talrijkheid te voltrekken als eerder bij de Kerkuil heeft plaatsgevonden. In de loop van de twintigste eeuw zijn door intensivering van de landbouw veel kleinschalige agrarische cultuurlandschappen aangetast of verdwenen. Het gevolg was een verlies van veel geschikte broedlocaties en een verarming van de prooidieren. Door het verdwijnen van geschikte nestplaatsen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het verkeer, zijn de leefomstandigheden voor de Steenuil verslechterd. Door de sterke achteruitgang en het geringe aantal broedparen zijn er nog slechts een paar "versnipperde" rest-populaties overgebleven. De toegenomen afstand tussen deze populaties is nadelig voor de voortplantingsmogelijkheden met soortgenoten. De nog overgebleven Steenuilen verkeren in een weinig rooskleurige situatie.

Sinds de invoering van neonicotinoiden verdwijnen de vlinders op het boerenland

grafiek_graslandsoorten_agr_sted_hn.jpg

De boerenlandlandvlinders zijn in Nederland vanaf 1992 sterk achteruit gegaan. Dit blijkt uit de graslandgraadmeter. De achteruitgang is in het agrarisch gebied nog sterker dan in natuurgebieden, maar ook dan in stedelijk gebied. Uit de prachtige plaatjes van het vroegere boerenland kun je bedenken welke vlinders daar hebben rondgevlogen. Uit de beperkte gegevens die van vroeger beschikbaar zijn, en uit verslagen en collecties van vlinderaars, komt een gevarieerd beeld naar voren. De zilveren maan op de graslanden, soms vergezeld van de moerasparelmoervlinder. Drie verschillende soorten vuurvlinders en hele massa’s zandoogjes. Niet alleen veel soorten, maar ook gewoon heel veel vlinders. Dat kom je nu op het boerenland niet meer tegen.

Kamervragen over verhoogde bijensterfte in Nederland

insecten.jpg

Vragen van het lid Smaling (SP) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over het bericht «Weer hoge bijensterfte in Nederland» (ingezonden 12 augustus 2015). Vraag 1: Wat is uw reactie op het verdubbelen van de bijensterfte naar 18% afgelopen winter? Vraag 2: Kunt u reageren op de studie van bijenonderzoeker Van der Zee, die concludeert dat de hoge aantallen dode bijen verband houden met het gebruik van het insecticide Thiacloprid («als we die stof bij de bijenvolken vonden, was de kans op sterfte in de winter significant hoger»)? Vraag 3: Bent u bereid tot een totaalverbod van voor bijen gevaarlijke bestrijdingsmiddelen (Neonicotinoïden, Fipronil) op korte termijn? Vraag 4: Bent u bereid tot een totaalverbod, dan wel herbeoordeling van Thiacloprid? Voor de verdere vragen, zie bijlage.

De adder gaat de ondergang tegemoet

vipera_berus.jpg

Als enige Nederlandse gifslang spreekt de adder (Vipera berus) tot de verbeelding en de bewoners van regio’s waar de soort voorkomt, kennen hem vaak goed. De verspreiding in Nederland is, mede daardoor, al lange tijd betrekkelijk goed bekend. Op de Rode Lijst van 1996 stond de adder in de categorie kwetsbaar en daar is bij de herziening in 2007 geen verandering in gekomen. De soort belandde, door een berekende achteruitgang van 65%, wel dieper in de zorgwekkende regionen van deze categorie. Terugkijkend in de tijd valt de sterke afname van de soort op. Maar liefst uit vier provincies verdween de adder: Groningen, Utrecht, Noord-Holland en Noord-Brabant. Daarnaast vond er ook binnen de provincies waar de soort nu nog voorkomt, een sterke afname plaats in het aantal bezette uurhokken. Een belangrijk deel van deze afname heeft zich in Noord-Holland, Utrecht en de Gelderse Vallei afgespeeld. Ook in Oost-Nederland is de afname met zo’n 40% groot.

Internationaal netwerk meldt hoge bijensterfte in 2014-2015, bijna 70.000 bijenvolken dood na de winter

Insects-of-Tanzania--Bees[1].jpg

De internationale onderzoekssamenwerking COLOSS die zich richt op honingbijen heeft voorlopige cijfers bekend gemaakt over het verlies van bijenvolken in de winter van 2014 op 2015. Er werden daarbij gegevens verzameld in 31 landen. Er werden daarbij door 23.234 bijenhouders cijfers over bijensterfte aangeleverd. Deze imkers hielden samen 469.249 bijenvolken. Daarvan bleken er 67.914 dood na de winter. Daarnaast ging 3% van de kolonies verloren vanwege onoplosbare problemen met de koningin na de winter. Er waren grote verschillen tussen de landen. De bijensterfte in Noorwegen bedroeg slechts 5%, maar was gemiddeld 25% in Oostenrijk. Het gemiddelde verlies aan bijenvolken over alle deelnemende landen in de winter van 2014-2015 bedroeg 17,4% . Dat is twee keer zo hoog dan in de winter van 2013 op 2014. COLOSS komt later in het jaar met een analyse van de risicofactoren die de bijensterfte in de winter van 2014 op 2015 nader verklaren. De Nederlandse Romée van der Zee van het Nederlands Centrum Bijenonderzoek is coördinator van de COLOSS Monitoring.

Het CBS heeft waarschijnlijk nog nooit van imidacloprid gehoord

weidevogels.jpg

Het gaat slecht met de meeste weidevogelsoorten in Nederland. De populaties van de grutto, scholekster, veldleeuwerik en graspieper laten al vanaf de jaren negentig een geleidelijke maar duidelijke daling zien. Dat blijkt uit vandaag verschenen cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).Het verdwijnen van weidevogels heeft volgens het CBS te maken met onder meer de schaalvergroting en intensivering in de landbouw. Zo gaan er veel nesten en kuikens verloren doordat er steeds vroeger en vaker gemaaid wordt. De weidevogelstand wordt volgens het CBS ook negatief beïnvloed door de verschuiving in de landbouw van 'gevarieerde, vochtige, kruidenrijke hooilanden' naar gedraineerde percelen met slechts één of twee soorten gras. Die zijn makkelijker machinaal te bewerken en leveren een hogere grasproductie op. Maar daardoor is er minder voedsel, dekking en rust voor weidevogels. "De schaalvergroting vindt al plaats sinds halverwege de vorige eeuw, maar gaat nog steeds door'', aldus het CBS. Volgens het statistiekbureau gaat er ook broedgebied voor weidevogels verloren door de uitbreiding van steden. In totaal verdween er sinds 1990 ruim 150.000 hectare grasland. Dat is een daling van ruim 14 procent. De weidevogelstand staat ook onder druk door roofdieren. "Soorten als de buizerd, bunzing, vos en egels hebben - naast veel andere prooien en aas - ook weidevogels op het menu staan", aldus het CBS.

Ctgb gaat een nieuw rekenmodel gebruiken om vast te stellen dat de glastuinbouw het oppervlaktewater met pesticiden bezoedelt

water.jpg

Met ingang van 1 januari 2016 hanteert het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een nieuwe werkwijze bij de beoordeling van emissies uit bedekte teelten. Het huidige model voor emissies uit kassen stelt dat 0,1% van het gewasbeschermingsmiddel dat gebruikt wordt in een kas terechtkomt in het oppervlaktewater. Het is bekend dat dit model de werkelijkheid onderschat. Recent is een nieuwe Europese guidance bedekte teelten aangenomen, waarin het nieuwe rekenmodel is opgenomen. Daar zijn enkele opties voor de zuivering van afvalstromen ingebouwd. Bij gebruik van deze guidance zullen de berekende emissies uit kassen naar verwachting hoger liggen dan bij het huidige model. De guidance bedekte teelten gaat tegelijk voor zowel nieuwe aanvragen van stoffen als middelen gelden. De guidance heeft geen invloed op lopende aanvragen. Op dit moment brengt het Ctgb de impact van deze nieuwe guidance op onder andere de dossiervereisten in kaart. Zodra hier meer details over bekend zijn, zullen de aanvragers via de gebruikelijke kanalen en de website geïnformeerd worden.

Het door Bayer CropScience als 'veilig voor bijen' gepropageerde thiacloprid veroorzaakt in werkelijkheid bijensterfte

Bees_Set[1].jpg

Thiacloprid, een breed toegepast landbouwbestrijdingsmiddel uit de familie der neonicotinoïden, heeft wel degelijk een verband met hoge sterfte van bijenvolken. Dat blijkt uit onderzoek van het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek in Tersoal, dat gisteren in het wetenschappelijke tijdschrift Plos One is gepubliceerd. ,,Van thiacloprid werd tot nu toe steeds gezegd dat het de minst gevaarlijke neonicotinoïde is", zegt Romée van der Zee van het NCB. ,,Misschien is thiacloprid gerelateerd aan bijensterfte op een manier die voorheen niet herkend werd." Sinds de Europese Commissie in 2013 een moratorium instelde op imidacloprid, thiamethoxam en clothianidin, stappen boeren massaal over op middelen waarin onder meer het toegestane thiacloprid verwerkt is. Calypso is zo'n middel; het toegestane gebruik daarvan werd in 2012 nog verruimd door het College voor Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden. Het NCB heeft voor het eerst wetenschappelijk met een observatiestudie aangetoond dat neonicotinoïden een relatie hebben met een hoger sterfterisico van bijenvolken. Het NCB deed een observatieonderzoek met 86 bijenvolken op 43 bijenstandplaatsen, in 2011 en 2012.

Natuur & Milieu, Vogelbescherming Nederland en Greenpeace pleiten voor een verbod op milieuvervuilende neonics

birds of ireland.jpg

Verbied alle bestrijdingsmiddelen die onder de groep neonicotinoiden vallen. Dit verzoek doen Natuur & Milieu, Vogelbescherming Nederland en Greenpeace vandaag aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Deze bestrijdingsmiddelen zijn extreem schadelijk voor bijen en andere insecten en, zoals uit recent onderzoek is gebleken, ook voor verschillende vogelsoorten. De milieuorganisaties pleiten voor een verbod op neonics omdat deze in grote hoeveelheden van ons oppervlaktewater (sloten en kanalen) zitten. 85% van het oppervlaktewater in glastuingebieden, zoals in het Westland, voldoet niet aan de eisen voor de bescherming van het waterleven. Met een halve theelepel imidacloprid vervuil je een sloot van een meter breed over een lengte van 200 kilometer. Onder sommige omstandigheden kan deze stof maanden tot wel jaren aanwezig zijn. De vogelstand in glastuingebieden is ook lager dan in andere gebieden door een gebrek aan insecten zelf door vervuild oppervlaktewater, het eten van vergiftigde insecten of een combinatie van beide.

Jean-Marc Bonmatin (CNRS) bevestigt de in 2010 geformuleerde these van Henk Tennekes over de risico's van neonicotinoïden

book_default[1].jpg

Op 29 mei 2015, de Dag van de Honingbij in Quebec, organiseerde Équiterre, in samenwerking met de David Suzuki Foundation, openbare lezingen over de resultaten van de belangrijkste literatuur over de effecten van neonicotinoïde pesticiden in het milieu. De lezingen werden gegeven door Jean-Marc Bonmatin, onderzoeker bij het Franse Nationale Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek (CNRS) en Madeleine Chagnon, universitair hoofddocent bij de afdeling Biologische Wetenschappen aan de Université du Québec à Montréal. "Als wetenschapper kan ik nu zeggen dat er onomstotelijk bewijs van schade is en wijzen op de dringende noodzaak van maatregelen om de hoeveelheden van deze bestrijdingsmiddelen in het milieu te verminderen," zei Bonmatin. De gerenommeerde onderzoeker bevestigde de in het boek Disaster in the Making (2010) voor het eerst geformuleerde these van de Nederlandse toxicoloog Henk Tennekes dat neonicotinoïden met de uitroeiing van ongewervelde dieren een breuk in de voedselketen veroorzaken, waarvan insectivore soorten zoals onder andere vogels het slachtoffer worden. Zo zijn na meer dan 20 jaar gebruik van neonics de zwaluwen in Noord-Amerika zo goed als uitgeroeid.

Inhoud syndiceren