De kikkers dreigen uit te sterven in de VS

Kikkers en andere amfibieën bewonen al meer dan 300 miljoen jaar de moerassen van de aarde. Nu blijkt uit een nieuwe studie dat deze stokoude soorten in een angstaanjagend snel tempo in de Verenigde Staten dreigen te verdwijnen. Wetenschappers nemen al sinds het einde van de jaren 1980 een voortdurende daling van amfibie populaties waar. Maar velen hebben de ernst van de situatie onderschat. "Ze gaan echt wereldwijd achteruit," zegt bioloog Jeffery Brawn van de Universiteit van Illinois. "In Illinois, Mississippi, alle andere staten van Amerika maar ook daarbuiten". Deze maand meldde de United States Geological Survey dat kikkers en amfibieën met een snelheid van 3,7 procent per jaar verdwijnen en dat naar schatting de helft in de komende 20 jaar uit het hun resterende leefgebied zal verdwijnen. "Van alle gewervelde dieren, verdwijnen amfibieën verreweg het snelst" zei Brawn.

Ammoniak uit mest en kunstmest schadelijk voor gezondheid en biodiversiteit

Uit mest en kunstmest vervliegt ammoniak naar de atmosfeer. Dit leidt tot eutrofiëring van ecosystemen, waardoor de biodiversiteit afneemt. Bovendien draagt ammoniak bij aan het ontstaan van fijnstof, waardoor de luchtkwaliteit vermindert en gezondheidsproblemen ontstaan, waaronder hartziekten. Een aantal wetenschappers heeft overzichtsartikelen geschreven waarin de meest recente inzichten in de stikstofcyclus wereldwijd staan vermeld. Ook komen de meest waarschijnlijke veranderingen m.b.t. stikstof aan bod die ons te wachten staan in de 21e eeuw. In de huidige editie van het tijdschrift Philosophical Transactions of the Royal Society licht Prof. Erisman toe: "Door de vervuiling van stikstof (die voor een belangrijk deel uit ammoniak bestaat) zijn de humane gezondheid en het ecosysteem ernstig aangetast. Nu al constateren we dat veel grenswaarden die we vastgesteld hebben, overschreden worden. Onze groeiende voedselconsumptie en het massaal overstappen op vleesrijke voeding leiden ertoe dat we die grenzen steeds méér overschrijden, terwijl we nu al met stikstof een factor 4 hoger zitten dan wat de aarde aankan.

De kaalslag in de Britse natuur - een op de drie soorten is in de afgelopen halve eeuw in aantal gehalveerd

Een grootschalige inventarisatie van de natuur in het Verenigd Koninkrijk heeft aangetoond dat de meeste soorten worstelen om te overleven en dat een op de drie soorten in de afgelopen halve eeuw in aantal is gehalveerd. Het verslag werd opgesteld door natuurbeschermingsorganisaties waaronder de Wildlife Trusts, de Mammal Society, Buglife en de Marine Conservation Society. Het unieke verslag, gebaseerd op wetenschappelijke analyse van tientallen miljoenen waarnemingen van vrijwilligers, toont aan dat insecten, vogels, vissen, amfibieën, reptielen en planten in de problemen zijn geraakt. Het volledige rapport is online verkrijgbaar: www.rspb.org.uk / stateofnature. Van meer dan 6000 soorten die met behulp van moderne Rode Lijst criteria in het Verenigd Koninkrijk zijn onderzocht, wordt ruim 1 op de 10 met uitsterven bedreigd. In de overzeese gebieden van het Verenigd Koninkrijk, die een rijke fauna van groot internationaal belang bezit, lopen meer dan 90 soorten een hoog risico uit te sterven. De helft van de onderzochte soorten ondergaan sterke veranderingen in aantal of territoria, wat aangeeft dat de recente veranderingen in het milieu een dramatische werking op de natuur in het Verenigd Koninkrijk hebben. De intensivering van de landbouw heeft ingrijpende en langdurige gevolgen voor de natuur gehad. Volgens de toxicoloog Henk Tennekes heeft met name het veelvuldige gebruik van de voor insecten zeer giftige neonicotinoide insecticiden, die in de bodem en het water accumuleren, een rampzalige werking op de natuur, zoals beschreven in zijn in 2010 gepubliceerde boek "Disaster in the Making". Kijk naar de indrukwekkende toespraak van de natuurbeschermer en TV presentator Iolo Williams over de toestand van de natuur in Wales: http://www.youtube.com/watch?v=FnJQjtvngqA

De grutto heeft het dit voorjaar erg moeilijk in het Groene Hart

Veertig jaar geleden broedden er nog 100.000 paartjes grutto's in Nederland. Daarvan zijn er nu nog maar zo'n 40.000 over. De grutto (Limosa limosa) gaat al 20 jaar met ongeveer 5% per jaar achteruit in Nederland. Als deze trend doorzet, ziet het er slecht uit voor het voortbestaan van de grutto. In het Groene Hart voert Staatsbosbeheer in samenwerking met boeren al jarenlang graslandbeheer op maat. Er wordt pas laat gemaaid, zodat de jonge grutto's in het veilige, hoge gras voldoende beschutting en eetbare insecten kunnen vinden. Dit leidde ook tot succes: vorig jaar verbleven recordaantallen grutto's en hun kuikens in het Groene Hart. Maar dit voorjaar is voor de kwetsbare weidevogelsoorten een tegenvaller: tot nu toe zijn ongeveer de helft tot zeventig procent van de aantallen grutto's van vorig jaar aan het broeden gegaan in de Donkse Laagten en De Wilck.

Nederland kan een pioniersrol vervullen in de omschakeling naar biologische landbouw

Dat zegt aantredend hoogleraar landbouwecologie aan de Wageningen Universiteit Pablo Tittonell in een interview met Trouw. Nederland heeft volgens Tittonell de ideale bodem, het geschikte klimaat, ervaring met watermanagement en ondernemende en innoverende boeren. Zijn pleidooi is opmerkelijk, omdat bestuursvoorzitter van de universiteit Aalt Dijkhuizen al meerdere keren heeft afgegeven op de biologische landbouw. Bij de opening van het academisch jaar in 2012 stelde Dijkhuizen bijvoorbeeld dat verdere intensivering van de landbouw nodig is om de wereldbevolking ook in de toekomst te kunnen voeden.

Veel vogelsoorten van de Waddenzee worden met uitsterven bedreigd

Op 18 april 2013 kwamen broedvogeldeskundigen en natuurbeschermers van de drie Waddenzee landen Denemarken, Nederland en Duitsland bij elkaar voor de internationale workshop “Breeding Birds in Trouble". Uit lange termijn trends van broedvogeltellingen blijkt dat de aantallen van 2/3 van alle internationaal gemonitorde soorten in het Waddengebied afnemen. De trends van de afgelopen 10 jaar tonen zelfs aan dat de achteruitgang van sommige soorten, zoals scholeksters (Haematopus ostralegus), kluten (Recurvirostra avosetta) en Noordse Stern (Sterna paradisaea) in een versnelling is geraakt. Zeldzame broedvogels, zoals kemphaan (Philomachus pugnax), bonte strandlopers (Calidris alpina) en watersnip (Gallinago gallinago) staan op de rand van verdwijnen uit het Waddengebied. Als de huidige negatieve trends doorzetten, dreigen meer broedvogels, zoals de blauwe kiekendief (Circus cyaneus), te verdwijnen. In een reactie schrijft de toxicoloog Henk Tennekes dat de vogelsoorten die achteruitgaan in veel gevallen afhankelijk zijn van insecten die eveneens schaarser worden. De toenemende verontreiniging van bodem en water met het insecticide imidacloprid in of nabij broedgebieden zou daarbij een belangrijke rol kunnen spelen. Uit onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat er een verband is tussen imidacloprid concentraties en de insectenrijkdom in het oppervlaktewater:
http://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0062374.

De spreeuw neemt in de stad alarmerend hard in aantal af - daling van 40% in de laatste 20 jaar

Met een afname van meer dan 40 procent in de afgelopen twintig jaar komt de spreeuw (Sturnus vulgaris)zoals het er nu naar uitziet op de Rode Lijst voor bedreigde vogels te staan. Dit blijkt uit de nieuwe Stadsvogelbalans van Vogelbescherming Nederland (bijlage). In de Stadsvogelbalans worden de trends van alle broedvogels in de stad weergegeven. De stadsvogelbalans is samengesteld op basis van telgegevens van Sovon Vogelonderzoek Nederland. Het geeft de meest recente stand van de broedvogels in de stad weer. Van de 63 onderzochte soorten gaan er 20 achteruit. Ook parkvogels zoals de roodborst (Erithacus rubecula) en winterkoning (Troglodytes troglodytes) nemen over de hele linie af.

Het moleculaire mechanisme van eenvoudige verbanden tussen het niveau van blootstelling en giftige werkingen in de loop van de tijd

Om de toxiciteit van chemicaliën in organismen te kunnen begrijpen is het nodig kennis te vergaren over de moleculaire mechanismen en het verband tussen het niveau van blootstelling en de toxische effecten die in de loop van tijd worden waargenomen. Onze huidige kennis over dergelijke relaties wordt vooral verklaard vanuit een toxicodynamisch en toxicokinetisch perspectief. Deze publicatie vestigt opnieuw de aandacht op een oude benadering die uitgaat van het werkingsmechanisme en de daaruit voortvloeiende biologische effecten in de loop van de tijd verklaart. Empirische gegevens tonen aan dat het toxiciteitsmodel van Druckrey & Küpfmüller, dat werd gevalideerd voor genotoxische carcinogenen in de vroege jaren 1960, ook van toepassing is op een breed scala van giftige stoffen in de ecotoxicologie. Volgens dit model wordt het karakter van een gif hoofdzakelijk bepaald door de omkeerbaarheid van kritische receptorbinding. Chemicaliën die een onomkeerbare of langzaam reversibele binding met specifieke receptoren aangaan zullen cumulatieve effecten in de tijd veroorzaken, en wanneer de effecten eveneens onomkeerbaar zijn wordt de werking door de tijd versterkt. Dergelijke werkingsmechanismen hebben belangrijke implicaties voor de risico evaluatie. Traditionele risico benaderingen kunnen de effecten van dergelijke toxische stoffen niet voorspellen. Nieuwe evaluatie procedures zijn nodig om het risico van deze chemicaliën voor mens en milieu te evalueren. Een voorbeeld wordt gegeven om te laten zien hoe het risico van toxische stoffen kan worden onderschat bij het gebruik van de huidige risico evaluatie.

Uit onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat er een verband is tussen imidacloprid concentraties en de insectenrijkdom in het oppervlaktewater

Er vliegen de laatste jaren steeds minder insecten rond. Uit onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat er een verband is tussen imidacloprid concentraties en de insectenrijkdom in het oppervlaktewater:
http://dx.plos.org/10.1371/journal.pone.0062374. Op bijna de helft van het aantal plekken waar de afgelopen acht jaar in Nederland gemeten is zit er te veel imidacloprid in het water. Sommige metingen gaven zelfs aan dat de concentratie imidacloprid in het oppervlaktewater 25.000 keer de norm overschreed. Op plekken met te hoge imidacloprid concentraties werden gemiddeld drie keer zo weinig ongewervelde dieren gevonden dan in water dat wel aan de norm voldeed. Ook onder die 13 nanogram per liter grens heeft imidacloprid nog steeds een schadelijk effect op de insectenrijkdom in het water, zo vonden de onderzoekers. De resultaten bevestigen de conclusies van het in 2010 verschenen boek van de toxicoloog Henk Tennekes (The Systemic Insecticides: A Disaster in the Making"): chronische blootstelling van geleedpotigen (arthropoden) aan stoffen die onomkeerbare en zich stapelende beschadigingen in het centrale zenuwstel veroorzaken, leiden tot een milieuramp. In een reactie, die op 11 mei 2013 werd gepubliceerd in de NRC, komen de Utrechtse toxicologen Dr. Henk Vijverberg en Prof. Dr. Bas Blaauboer tot de conclusie dat het onderzoek in een aantal opzichten manco's vertoont en geen argument vormt om de milieunorm voor imidacloprid aan te passen. In een weerwoord schrijft de Utrechtse universitaire docent en auteur Jeroen van der Sluijs dat in het onderhavige geval (imidacloprid en sterke afname van rijkdom van ongewervelden in en om het water) alle drie de vereiste bewijzen om van causaliteit te mogen spreken zijn geleverd. Ingrijpen is nu geen kwestie meer van het voorzorgsprincipe maar van het preventie principe (zie UNESCO COMEST rapport The Precautionary Principle voor uitleg van het verschil), aldus Van der Sluijs. De toxicoloog Henk Tennekes onderschrijft deze visie en is ook van mening dat de waarschuwingen over de mogelijke rol van milieuverontreiniging met neonicotinoiden bij de sterk dalende populaties van vogels, kikkers, egels, vleermuizen en andere insectenetende dieren niet ver gezocht zijn en serieus moeten worden genomen. Groteske overschrijdingen van milieunormen zijn ontoelaatbaar, aldus Tennekes.

De aanwezigheid van 6-chloornicotinezuur in de menselijke urine correleerde met symptomen van overstimulatie van nicotinerge acetylcholine receptoren

Neonicotinoide insecticiden werken als nicotinerge acetylcholine receptor agonisten. Chloropyridinyl neonicotinoiden zijn een subgroep van de neonicotinoiden, en zijn in de handel verkrijgbaar als imidacloprid, nitenpyram, acetamiprid, en thiacloprid. De maximaal toelaatbare residu waarden van acetamiprid voor fruit en thee bladeren zijn nogal hoog in Japan, bijvoorbeeld 5 ppm voor druiven en 30 ppm voor theeblaadjes. 6-chloornicotinezuur (6 CNA) is een veel voorkomende metaboliet bij dieren na blootstelling aan chloropyridinyl neonicotinoïden, maar nog nooit in menselijke urine aangetroffen. Urinemonsters van elf patiënten in de leeftijd van 6-52 jaar, die een Japanse kliniek bezochten van augustus tot december 2008 na symptoombegin met onbekende oorsprong werden binnen 24 uur bij het eerste bezoek en daarna verzameld. 6 CNA werd met LC / MS in de urine aangetoond bij zes van de elf patiënten (IC positieve groep) tot waarden van maximaal 84,8 microgram / L. Veel voorkomende symptomen in de IC-positieve groep waren hoofdpijn, algemene vermoeidheid, vinger tremor, verstoring van het korte termijn geheugen, koorts (> 37,0 C), hoesten, hartkloppingen, pijn op de borst, buikpijn, spierpijn / spierspasmen / spierzwakte, hart afwijkingen (sinus tachycardie, sinus bradycardie of intermitterende WPW syndroom), een hoge inname van vruchten (> 500 g / dag), en een hoge theeconsumptie (> 500 ml. / dag). De patiënten herstelden binnen enkele dagen tot twee maanden door ondersteunende therapie en de beperking van fruit en thee consumptie. Concluderend werd aangetoond dat de aanwezigheid van een gemeenschappelijke metaboliet van chloropyridinyl neonicotinoïde insecticiden, 6-chloornicotinezuur, in de urine van zes patiënten correleerde met symptomen van overstimulatie van nicotinerge acetylcholine receptoren.