Plotseling stierven de mussen in Washington D.C.

In de winter van 1994 stierven plotseling de talrijke Mexicaanse roodmussen (Carpodacus mexicanus) in Washington D.C.; de epidemie verspreidde zich daarna razendsnel naar het westen. De kleine zangvogels leden aan duidelijk zichtbare oogontstekingen, waardoor ze geen voedsel meer konden vinden en ook een gemakkelijke prooi voor roofdieren werden. Ondertussen is de ziekte in Californië aan de westkust van de V.S. gearriveerd. Biologen schatten het aantal slachtoffers alleen in de eerste drie jaar van de epidemie al op 225 miljoen. De veroorzaker van de ziekte is Mycoplasma gallisepticum, een bacterie, die eigenlijk als ziekteverwekker bij kippen bekend stond. M. gallisepticum heeft nu echter ook verwoestend toegeslagen bij Mexicaanse roodmussen.

Sommige experts vermoeden dat het immuunsysteem van vleermuizen - net als bij honingbijen - wordt verzwakt door neonicotinoide insecticiden

De vleermuizenpopulatie in de Verenigde Staten en Canada staat onder grote druk door een geheimzinnige schimmelziekte die intussen bekendstaat als het 'witteneuzensyndroom'. Wetenschappers hebben becijferd dat de aandoening in Noord-Amerika aan ten minste 5,7 miljoen vleermuizen het leven heeft gekost. De onderzoekers troffen vleermuizenkolonies aan waar 99 procent van de dieren door de schimmel bleek omgekomen. Sommige experts vermoeden dat het immuunsysteem wordt verzwakt door blootstelling aan subletale hoeveelheden van neonicotinoide insecticiden, waardoor vleermuizen - in analogie met honingbijen - zeer gevoelig worden voor pathogene organismen.

De Lage Landen zijn de vlinderonvriendelijkste regio van Europa

Het Vlaamse Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek(INBO) heeft, in nauwe samenwerking met de Vlinderwerkgroep van Natuurpunt vzw en Prof. Hans Van Dyck (UCL), een nieuwe Rode Lijst van de dagvlinders in Vlaanderen opgesteld. Met 66% van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven scoort Vlaanderen ongeveer even slecht als Nederland (68%) en net iets slechter dan Wallonië (61%). De Lage Landen worden niet voor niets de vlinderonvriendelijkste regio van Europa genoemd. In vergelijking met de Rode Lijst uit 1999 zet de negatieve trend zich voor heel wat soorten verder: 4 soorten zijn uitgestorven tussen 1994 en 2003 en maar liefst 12 soorten doen het slechter in vergelijking met de vorige Rode Lijst. Vooral soorten uit heiden (bv. de heivlinder Hipparchia statilinus), bloemrijke graslanden (bv. de veldparelmoervlinder Melitaea cinxia) en grote bossen (bv. de rouwmantel Nymphalis antiopa) blijven achteruitgaan. Opvallend is ook de sterke achteruitgang van enkele voorheen algemene soorten zoals de argusvlinder Lasiommata megera en de citroenvlinder Gonepteryx rhamni.

De grote parelmoervlinder dreigt uit te sterven in Nederland

In Nederland leefde de grote parelmoervlinder Argynnis aglaja aan het begin van de twintigste eeuw in grote delen van de voedselarme zandgronden, de duinen, Zuid-Limburg en het Utrechts-Hollands veenweidegebied. Op de zandgronden kwam de soort vooral voor op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug, de Gelderse Vallei, de Achterhoek en Twente. Vanaf de jaren twintig is het verspreidingsgebied langzaam maar zeker ingekrompen. Rond 1950 was de soort uit vrijwel alle natte schrale graslanden verdwenen. Sinds 2000 is de vlinder uit alle duingebieden van het vasteland verdwenen en in het binnenland resteerde nog slechts één populatie. Nu zijn er nog vijf belangrijke populaties: op Texel (2), Vlieland (1), Terschelling (1) en de Hoge Veluwe (1). Er lijkt nog een kleine populatie in Limburg te zijn. In totaal zijn er naar schatting in Nederland nog slechts 500 vlinders.

Alleen in Twente en de Achterhoek heeft de kleine ijsvogelvlinder nog een aaneengesloten verspreidingsgebied

In Nederland kwam de kleine ijsvogel (Limenitis camilla) aan het begin van de twintigste eeuw op een groot deel van de zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland voor. De soort is nu zo goed als verdwenen uit Drenthe, de Veluwe, de Utrechtse heuvelrug, het Rijk van Nijmegen en grote delen van Noord-Brabant en Limburg. De achteruitgang gaat nog steeds door. Alleen in Twente en de Achterhoek heeft hij nog een groot en min of meer aaneengesloten verspreidingsgebied. De grootste populaties bevinden zich op dit moment in Twente. In Vlaanderen, Wallonië en Duitsland staat hij op de Rode Lijst.

Het veenbesblauwtje is sinds de jaren 1990 uit de Achterhoek verdwenen

In Nederland is het veenbesblauwtje Plebejus optilete altijd een zeldzame vlinder geweest. De eerste waarneming stamt uit 1854 (vijf exemplaren in juli nabij Varsseveld) en pas in 1903 werd de soort voor het eerst uit het Noorden van het land gemeld (De Punt, Groningen), In de jaren 1940 werd hij gevonden in Twente en een andere populatie vloog in de Achterhoek in het Wooldsche Veen. Tussen 1941 en 1963 vloog de soort in de bossen bij Norg (Drenthe). Pas in 1963 wordt het veenbesblauwtje voor het eerst waargenomen in het Dwingelderveld (Drenthe), waar hij op verscheidene plaatsen en in relatief grote aantallen is gezien. Sinds 1982 is de soort ook bekend van Sellingen (Groningen). Na 1975 verslechterde de stand snel. In de jaren tachtig restten er alleen nog populaties in Drenthe, het Wooldsche Veen en nabij Sellingen. Vanaf de jaren negentig gaat de soort verder achteruit en verdwijnt hij uit de Achterhoek en van diverse plaatsen in Drenthe. Op dit moment komt het veenbesblauwtje alleen nog in het Dwingelderveld en bij Sellingen voor. In Sellingen is slechts één kleine populatie aanwezig met naar schatting twintig tot dertig vlinders. In het Dwingelderveld leven nog circa 50 vlinders, maar de stand verslechtert ook daar elk jaar. Het veenbesblauwtje is dan ook een uiterst zeldzame standvlinder die acuut met verdwijnen bedreigd is.

De witte kwikstaart gaat sinds de jaren 1990 achteruit

De witte kwikstaart Motacilla alba is in de Benelux een zeer algemene broedvogel en komt in allerlei biotopen voor, vaak nabij menselijke bewoning, meestal in gebieden met open plekken en lage begroeiing, zoals akkers, buitenwijken van steden, parken, etc. Het zijn insecteneters, die men vaak kan zien rondscharrelen op hoopjes bagger langs slootranden en op hopen mest in het land. De populatie werd in 1998-2000 geschat op rond de 100.000 broedparen. Volgens SOVON is er echter sinds 1990 een significante afname van de broedvogelpopulatie van <5% per jaar. Ook in Zweden, Finland en de Baltische staten nam de broedvogelpopulatie in de jaren 1990 af (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Ooit was Winterswijk een Ortolanenparadijs

In de tweede helft van de jaren zestig van de vorige eeuw schatte ik (op grond van meerdere fietstochten elk voorjaar) het aantal broedparen van de Ortolaan Emberiza hortulana in de verschillende buurtschappen rond Winterswijk op 80-100 broedpaar. De Vogelwerkgroep Winterswijk (later VWG ZO-Achterhoek) houdt -gebaseerd op extrapolaties van latere tellingen- voor die periode nog hogere schattingen aan: 120-150 paar. De VWG schatte het aantal zangterritoria van de Ortolaan rond Winterswijk omstreeks 1980 nog op ca. 20. In 1990 waren er nog twee over. Het laatste broedgeval rond Winterswijk (en daarmee in Nederland) vond plaats in 1994 in de Haart op het biologische bedrijf van de familie Van Iepenburg; daar broedden ook lang nog 2-3 paar Grauwe Klauwieren Lanius collurio. Rond 2000 viel het doek definitief voor de Ortolaan in Nederland. Daarmee verdween naar mijn mening één van de mooiste karaktersoorten van het oude cultuurlandschap op de hoge zandgronden van ons land.

De maisteelt kan paardenbloemen met neonicotinoiden belasten en zo een bijenvolk langdurig blootstellen aan landbouwgif

De paardenbloem (Taraxacum officinale) is voor vele soorten insecten van belang, waaronder onze honingbij. De plant wordt zeer goed bevlogen op zowel nectar als stuifmeel. Door het soms massaal voorkomen en de vrij lange bloeiduur is het een waardevolle drachtplant. De aanwezigheid van de paardenbloem maakt het voedselaanbod voor haar bestuivers in het voorjaar groter en gevarieerder. In de herfst volgt er soms een nabloei en hebben de bijen opnieuw een feestmaal. In 2011 werd in de V.S. aangetoond dat de bodem van (onbewerkte) velden in de nabijheid van maisvelden - waarschijnlijk door stofontwikkeling bij het inzaaien van mais - met neonicotinoiden werd belast. Tevens werd een belasting van paardenbloemen in de nabijheid van maisvelden waargenomen, die het gif mogelijkerwijs via de wortels hadden opgenomen. Het verzamelen van stuifmeel rondom de maisteelt kan een bijenvolk dus langdurig blootstellen aan neonicotinoiden.

Het hogere broedsucces van kokmeeuwen in de kustkolonies kan een gevolg zijn van grotere beschikbaarheid van vis

Sinds het begin van de 20ste eeuw nam het aantal broedparen van de Kokmeeuw Larus ridibundus in Nederland aanzienlijk toe, van ca. 25 000 paren in de jaren dertig tot een maximum aantal van 275 000 paren in 1985. Ook in de rest van West-Europa werd een forse toename waargenomen. Na 1985 kwam er echter een einde aan de groei. In Nederland daalde de populatie Kokmeeuwen van 200 000 paren in 1990 naar 132 000 in 1996 en in andere delen van Noord-West-Europa werd in de jaren 1990 eveneens een sterke afname waargenomen (gegevens Birdlife International, zie bijlage). In het laatste decennium was er volgens de gegevens van SOVON een significante afname van het aantal broedparen van <5% per jaar. Van 1997 tot en met 2003 verzamelde SOVON broedbiologische gegevens in 17 kokmeeuwenkolonies in verschillende delen van Nederland en net over de grens met België. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in zeven kustkolonies en tien binnenlandkolonies. Per kolonie en per jaar bepaalden de onderzoekers legselgrootte (gemiddeld aantal gelegde eieren per broedsel), uitkomstsucces (percentage van de eieren dat is uitgekomen), uitvliegsucces (aantal uitgevlogen kuikens als percentage van het aantal uitgekomen eieren) en broedsucces (aantal vliegvlugge kuikens per broedpoging, inclusief niet-succesvolle broedpogingen) om vervolgens een gemiddelde (± SD) voor kust- en binnenlandkolonies over de jaren 1997 tot en met 2003 te berekenen.