Het prachtklokje dreigt als wilde plant te verdwijnen uit Nederland

De sterke achteruitgang van het prachtklokje Campanula persicifolia heeft zich voortgezet gedurende de afgelopen jaren. Inmiddels resteren er nog maar drie kleine populaties in Zuid-Limburg. Het prachtklokje is een typische zoomplant van kalkrijke grond. In bossen komt zij gewoonlijk voor waar relatief veel licht doordringt tot de bosbodem, zoals op kapvlaktes, langs bospaden, in bosranden of waar bomen zijn omgewaaid. In graslanden en op kalkrotsen groeit zij vooral op plaatsen waar sprake is van enige beschaduwing door bomen of struiken. De plant komt van nature voor in Europa en wordt al vanaf 1554 in siertuinen gebruikt.

Een graanakker vol roodbloeiende klaprozen behoort tot het verleden

Klaprozen zijn opvallende en zeer kenmerkende planten voor het agrarisch gebied. Vroeger kon men klaprozen massaal aantreffen langs korenvelden, vaak in gezelschap van o.a. korenbloemen. Klaprozen zijn in het Verenigd Koninkrijk het symbool van de Eerste Wereldoorlog omdat ze op de slagvelden in Vlaanderen uitbundig bloeiden. Tegenwoordig worden de akkers voor de klaprozen te zwaar bemest en is er ook veel meer onkruidbestrijding ten gunste van de landbouwgewassen. Zelden tref je dan ook nog een graanakker vol roodbloeiende klaprozen aan. Hele generaties groeien op die niet beter weten dat graanakkers alleen maar kleurloos groen zijn. Stichting het Limburgs Landschap heeft in het Middenlimburgse bij het Schrevenhof, Reigersbroek en Linnerveld een aantal akkers in eigen beheer. Door geen onkruidverdelgers en beperkt organische mest te gebruiken, krijgen vroeger talrijke akkerkruiden er weer een kans.

De kortsnavelboomkruiper is een vrij zeldzame broedvogel in Nederland

De taigaboomkruiper (Certhia familiaris), ook wel kortsnavelboomkruiper genoemd, is een zangvogel uit de familie van boomkruipers (Certhiidae). De soort broedt overwegend in naald- en gemengd bos. In Nederland komen twee ondersoorten voor: de taigaboomkruiper (C. f. familiaris) en de kortsnavelboomkruiper (C. f. macrodactyla). De taigaboomkruiper is een vogel die jaarlijks wordt waargenomen, vooral in Noord-Nederland (Waddeneilanden). Deze vogels zijn waarschijnlijk afkomstig uit Scandinavië, waar dit een vrij algemene bosvogel is. De andere ondersoort die voor het gemak maar de oude naam kortsnavelboomkruiper heeft gehouden, is een vrij zeldzame broedvogel. Dit werd pas in 1993 ontdekt. Toen waren er al 16 territoria met zingende kortsnavelboomkruipers in de bossen bij Vaals (Zuid-Limburg). Er zijn volgens SOVON onvoldoende gegevens beschikbaar voor een trendanalyse. Het voedsel van deze vogelsoort bestaat uit kleine ongewervelden.

In Nederland is de roodhalsfuut een zeldzame broedvogel

Sinds medio de jaren tachtig van de vorige eeuw broeden er roodhalsfuten (Podiceps grisegena) in Nederland. Drenthe is de enige provincie waar in de periode 1998 - 2000 gebroed werd, en dan nog met hooguit 10 paartjes. Het aantal broedvogels in Nederland werd in 2005-2008 door SOVON geschat op 8 - 12 paar. Roodhalsfuten broeden op zoetwatermeren en riviermeren. Meestal is er enige plantengroei. Het drijvende nest wordt gemaakt van rottende waterlanten en oeverplanten. Het voedsel bestaat uit waterinsecten en hun larven, waterslakken en andere kleine aquatische ongewervelden.

Het broedbestand van de grote mantelmeeuw in Nederland groeit gestaag sinds 1993

Sinds 1993 broedt de grote mantelmeeuw (Larus marinus) ook in Nederland. Volgens SOVON is er sinds 1993 sprake van een significante toename van >5% per jaar. Het aantal broedvogels in Nederland werd door SOVON in 2005-2008 geschat op 14 - 40 paar. Grote mantelmeeuwen beroven heel vaak andere zeevogels van hun prooi, maar zij volgen ook bultruggen, haringhaaien en blauwvintonijnen om te profiteren van de vissen die deze dieren opjagen naar het zeeoppervlak. Grote mantelmeeuwen zijn vooral berucht als predator in zeevogelkolonies waar zij eieren en kuikens opvreten van papegaaiduikers, zeekoeten, zilvermeeuwen, kokmeeuwen, visdieven, Noordse pijlstormvogels en kuifduikers. Zij kunnen ook volwassen papegaaiduikers, sterns, zangvogels op trek en kleine eenden aanvallen, verdrinken en in hun geheel naar binnen werken.

In Nederland is de brilduiker een uiterst schaarse broedvogel

De brilduiker (Bucephala clangula) broedt in opgaand bos dichtbij meren, plassen of rivieren en nestelt in boomholten, ook in nestkasten. Sinds 1985 broedt de brilduiker in Nederland. Langs de IJssel tussen Zutphen en Zwolle hebben zich sindsdien 15-20 broedparen gevestigd. Het aantal broedvogels in Nederland werd in 2005-2008 door SOVON geschat op 1 - 5 paar. De Brilduiker verblijft buiten de broedtijd op zowel zoete als zoute wateren. Vooral in het Delta- en IJsselmeergebied komen 's winters grote concentraties voor. Daarnaast zijn het rivierengebied, de westelijke Waddenzee en verschillende wateren in West- en Noord-Nederland van belang. Het voedsel bestaat voornamelijk uit dierlijk materiaal (o.a. schelpdieren, kreeftachtigen, insecten en kleine vis) dat al duikend tot op enkele meters diepte wordt gevangen.

De oeverloper is een uiterst schaarse broedvogel in Nederland

De oeverloper (Actitis hypoleucos) is een kleine steltloper. De broedbiotoop van de oeverloper zijn oevers van beken, rivieren, plassen en meren, ook brak water. Deze vogelsoort broedt in zeer gering aantal in Nederland, meestal in het rivierengebied op strandjes en bij kribben langs de Waal, de Rijn, de IJssel en de Grensmaas. Het voedsel bestaat voornamelijk uit insecten maar ook wormen en visjes worden geconsumeerd. Hij gebruikt zijn snavel om kleine insecten uit de bodem te halen. Hij vangt soms kleine insecten uit de lucht als de kans er is. Het aantal broedvogels in Nederland werd in 2005-2008 door SOVON geschat op 5 - 14 paar. Over de laatste 10 jaar is volgens SOVON geen betrouwbare trendclassificatie mogelijk.

Er is de laatste 10 jaar sprake van een significante afname van de steltkluut in Nederland

In tegenstelling tot de kluut (Recurvirostra avosetta) komt de steltkluut (Himantopus himantopus) weinig in Nederland voor. In 1931 broedde er voor het eerst een paar in Nederland. De habitat is rustig zoet, brak of zout water, met name met drijvende vegetatie, zoals in moerassen en stroompjes. In Nederland zijn vooral ondiepe zoetwatermoerassen van belang als broedgebied. Door de extreem lange poten is de steltkluut een opvallende verschijning. In de vlucht steken de poten ver achter het lichaam uit. Het voedsel bestaat uit ongewervelden (vooral waterinsecten) die van wateroppervlak, van vegetatie of uit water worden opgepikt. Het broedbestand in Nederland werd in 2005-2008 geschat op 1 - 18 paar. Volgens SOVON is er de laatste 10 jaar sprake van een significante afname van <5% per jaar.

De stand van de raaf is na een top eind jaren negentig weer wat ingezakt

In vroeger eeuwen was de raaf (Corvus corax) in Nederland een gewone en verspreide broedvogel. Door de vooral op bijgeloof berustende, felle bestrijding nam de soort echter snel in aantal af, en rond 1900 was hij zeldzaam geworden. In 1944 vond in Zuid-Limburg het laatste broedgeval plaats. In Nederland leven nu weer raven na een geslaagde herintroductie op de Veluwe sinds midden jaren zeventig. Raven leven in Nederland in uitgestrekte gebieden waarin bossen en heide elkaar afwisselen. Gebroed wordt in open bossen met weinig ondergroei. In 2000 waren er ongeveer honderd broedparen in Nederland, merendeels op de Veluwe maar ook enkele in Utrecht, op de Sallandse heuvelrug en in Zuidwest-Drenthe. Na een top van zo'n 130 broedparen eind jaren negentig is de stand weer wat ingezakt. Volgens SOVON schommelde het bestand rond de 95 broedparen in 2007. De raaf is een typische alleseter maar leeft vooral van knaagdieren, insecten en larven, wormen, jonge vogels, kadavers, mosselen en aangespoelde vissen. Ook plantendelen als bessen en fruit staan op het menu.

De kramsvogel gaat sinds de jaren 1990 snel achteruit

De kramsvogel (Turdus pilaris) broedt in bosranden, in bossen bij open plekken en moerassen, in meer open parkbossen en struweel, in tuinen, boomgaarden en andere gecultiveerde gebieden met bomen. De vogel eet allerlei ongewervelden en vruchten, buiten het broedseizoen vooral bessen en andere vruchten. Midden jaren 1960 koloniseerde de kramsvogel Nederland. Sinds de jaren 1970 broedden er steeds meer kramsvogels, tot een maximum van zo'n 800 tot 900 paren in de jaren '1990, waarna een sterke daling inzette. Volgens SOVON was het aantal in 2005-2008 gedaald tot 30 - 60 paar.