Biologische landbouw vermindert blootstelling aan chemische stoffen, verbetert de bodem- en waterkwaliteit, en versterkt de biodiversiteit

De 'Organic Farming Research Foundation' (OFRF) in Californië heeft onlangs het 'Organic Farming for Health & Prosperity'-rapport uitgebracht. Een aantal voordelen van bio-landbouw die in het rapport benoemd worden, zijn: biologische landbouw vermindert blootstelling aan chemische stoffen, verbetert de bodem- en waterkwaliteit, versterkt de biodiversiteit en remt de klimaatverandering af. En in het rapport staat dat biologisch voedsel de wereld kan voeden.

Chemische methodes van onkruidbestrijding hebben de hoogste impact op zoet- en zoutwater ecotoxiciteit en eutrofiëring

Deze week publiceerden Plant Research International van Wageningen UR en de Interfacultaire Vakgroep Milieukunde (IVAM) van de Universiteit van Amsterdam een onderzoeksrapport waarin wordt geconcludeerd dat chemische onkruidbestrijding op verhardingen het meest milieuvriendelijk is. Bij deze conclusie zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen, meent het CLM. Voor een veilige drinkwatervoorziening is een chemievrije onkruidbestrijding op verhardingen de beste keuze. In de levenscyclus analyse (LCA) is de gehele levenscyclus in beschouwing genomen, van productie van grondstoffen tot verwerking van afval. De score van de analyse bestaat uit 17 milieu-categorieën die los van elkaar worden vergeleken, en vervolgens genormaliseerd en gewogen bij elkaar opgeteld worden. Scores worden uitgedrukt in punten. Hoe hoger de score, hoe slechter de techniek scoort. De resultaten laten zien dat wat betreft zoet- en zoutwater ecotoxiciteit en eutrofiëring de chemische methodes de hoogste impact hebben. Op humane toxiciteit, landgebruik en minerale uitputting scoren de borstelmethodes het hoogst. Bij fijnstofvorming wordt de hoogste impact gevonden bij de heet water methode. In de impactcategorieën klimaatverandering en fossiele uitputting heeft branden de hoogste impact en scoren ook hete lucht en hete lucht/heet water/IR hoog.

Vlaanderen is een vlinderkerkhof

Dr Dirk Maes van het Vlaamse Instituut voor Natuurbehoud en dr Hans Van Dyck van de Universiteit Antwerpen beschrijven in het tijdschrift Biological Conservation de catastrofale achteruitgang van het vlinderbestand in Vlaanderen. Volgens hen zijn hier de laatste honderd jaar meer vlindersoorten uitgeroeid dan waar ook in Europa. De trend verandert niet, integendeel: de helft van de overblijvende vlinders valt onder bedreigde diersoorten. Maes en Van Dyck vergeleken de negentiende-eeuwse archieven van Vlaamse amateur-waarnemers met hedendaagse veldwaarnemingen. Van de 64 inheemse vlindersoorten uit de negentiende eeuw verdwenen er negentien. Ook het aantal gebieden waar traditioneel veel vinders voorkwamen, verlaagde dramatisch. De Vlaamse landbouw evolueerde tot één van de meest intensieve van Europa. Daarmee veranderden gemengde gras- en bloemenweiden in hoogproductieve monoculturen van grassen. Vooral in het Westelijk deel van Vlaanderen, waar de landbouw het intensiefst is, is de vlinderkaalslag zonder weerga.

Het spiegeldikkopje is in vrije val

Het gaat de laatste jaren slecht met het spiegeldikkopje (Heteropterus morpheus). Er zijn nog maar een paar plekken waar deze prachtige vlinder nog goed te vinden is. Het spiegeldikkopje komt nog maar op een paar plaatsen voor in het oosten van Noord-Brabant en Midden-Limburg. Tot een jaar of twintig geleden was er ook een populatie in de IJsselvallei en waren er incidentele meldingen uit het Vechtdal. Er zijn alarmerende berichten over een snelle achteruitgang van de populaties van het spiegeldikkopje. Alleen in het Weerterbos is de populatie stabiel. In de jaren negentig verdwijnt het spiegeldikkopje uit Gelderland. Een geïsoleerde populatie heeft zich meer dan 150 jaar lang kunnen handhaven in de omgeving van Empe. Het spiegeldikkopje is nu enkel nog te vinden in het Peelgebied. Tot 2004-2005 werden in diverse gebieden nog hoge aantallen spiegeldikkopjes waargenomen. Daarna namen de aantallen zeer snel af: in de Peel met meer dan 95% tussen 2004 en 2009. In 2010 en 2011 werden weer iets hogere aantallen waargenomen, maar bedroeg de achteruitgang ten opzichte van 2004 nog altijd bijna 90%! Dat zien we ook terug in de getelde aantallen op een aantal vlinderroutes, en dus in de indexen in het Landelijk Meetnet Vlinders: de grafiek laat bijna een vrije val zien.

De Argusvlinder lijkt wel van het toneel verdwenen

Vroeger was de Argusvlinder (Lasiommata megera) bijna overal in Vlaanderen algemeen, maar momenteel is hij praktisch nergens meer te vinden. Enkel uit de kustpolders, het Antwerpse havengebied en de Maaskant komen er nog regelmatig meldingen. Elders is het doodstil. In Wallonië komt de vlinder nog verspreid voor. Ook in andere West-Europese landen gaat de soort sterk achteruit. Zo blijven in Groot-Brittannië de kustpopulaties relatief stabiel terwijl de populaties in het binnenland zeer sterk achteruitgaan. Hetzelfde patroon doet zich in Nederland voor. De argusvlinder kwam tot eind jaren negentig veel voor in Nederland, maar is de afgelopen jaren uit een groot deel van ons land verdwenen. Hoewel de graslandvlinder in het westen nog wel voorkomt, gaat hij ook daar achteruit. Tussen 1990 en 2000 zijn aantallen argusvlinders in ons land met meer dan 90% achteruitgegaan. Zeker in Oost-Nederland is het een zeldzame verschijning geworden. De soort verdween in Nederland het eerst van de hogere zandgronden van Gelderland, Overijssel en Drenthe, maar de laatste jaren is die achteruitgang ook te zien in de duinen. Maar ook elders lopen de metingen terug. ‘Zeker in Oost-Nederland is de vlinder een zeldzame verschijning geworden’, aldus de Vlinderstichting. ‘De aantallen argusvlinders zijn meer dan 90 procent achteruitgegaan in vergelijking met 1990.’ Argusvlinders zijn gebonden aan grasland. De rupsen leven van grassen en de vrouwtjes zetten hun eitjes het liefst af waar wortels van het gras bloot komen te liggen, zoals in wegbermen en slootkanten.

Gewas­beschermings­middelen blijven in normoverschrijdende gehalten voorkomen in de Maas

Uit het jaarrapport van RIWA-Maas, de vereniging van bedrijven die uit Maaswater drinkwater produceren, blijkt dat de streefwaarden van het Donau-, Maas- en Rijnmemorandum (afgekort: DMR-streefwaarden) in 2011 vaker overschreden werden dan in 2009 en 2010. Deze toename wordt vooral veroorzaakt door röntgencontrastmiddelen, genees­middelen (carbamazepine, metoprolol, sotalol, ibuprofen, metformine), industriële en consumenten­producten (EDTA, urotro­pine en fluoride), glyfosaat en zijn belangrijkste metaboliet AMPA. Het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat geldt al jaren als probleemstof nummer één voor de bereiding van drinkwater uit Maaswater, maar ook andere gewas­beschermings­middelen blijven in normoverschrijdende gehalten voorkomen in de Maas.

Normoverschrijdingen in het water kunnen bij een aantal bestrijdingsmiddelen niet eens worden gemeten

Voor een aantal gewasbeschermingsmiddelen (Abamectine, deltamethrin, esfenvaleraat, fenamiphos, fenoxycarb, lambdacyhalothrin, metsulfuron-methyl, pirimifos-methyl, pyridaben, pyriproxyfen, teflubenzuron) blijkt dat de laagste gehalten die in water kunnen worden aangetoond, hoger zijn dan de norm. Dit betekent dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of aan de normen wordt voldaan. Deze stoffen zijn in 2010 aan de Regeling monitoring Kaderrichtlijn water (KRW) toegevoegd. Dit beeld klopt grotendeels met de informatie in de Bestrijdingsmiddelenatlas, maar daar worden voor de meeste stoffen ook een paar locaties gemeld waar de norm meer dan vijf keer wordt overschreden. Dat stelt het RIVM in het rapport 'Specifieke verontreinigende en drinkwater relevante stoffen onder de Kaderrichtlijn water' (bijlage).

Hoe de 'moderne' landbouw de kievit de das omdoet

‘Tjoewiet’. ‘Tjoewiet’. Het typische geluid van de kievit Vanellus vanellus in het vroege voorjaar, een hoorbaar signaal dat de lente is begonnen, zal door de intensivering van de landbouw steeds zeldzamer worden. Het broedseizoen van deze oerhollandse vogel loopt van half maart tot in juli. Het broeden duurt 26 à 28 dagen. De eerste legsel van de kievit komen dus tussen half april en half mei uit. Dat is precies het moment waarop akkers worden omgeploegd voor het telen van maïs en andere gewassen. Ook wordt meestal in deze periode massaal de eerste snede gras gemaaid. De kans dat de eerste legsels op graslanden en maisvelden deze invasie overleven, is aanzienlijk afgenomen. Kuikens hebben 35 tot 40 dagen nodig om vliegvlug te worden. Kuikens van de kievit zijn nestvlieders en moeten vanaf het moment dat ze uit het ei kruipen zelf hun eten bij elkaar zoeken. In Nederlandse graslanden vormen bodembewonende prooidieren zoals loopkevers (Carabidae) en bovengronds aanwezige regenwormen (Lumbricidae) de hoofdmoot van het voedsel. De bloemrijke graslanden waar veel insecten leefden zijn echter verdwenen. Grote akkers met snel opkomende maïs zijn voor de kievit ook geen aantrekkelijke biotoop. Door de behandeling van het zaadgoed met neonicotinoiden ontstaat een gebrek aan insecten en regenwormen op en vlak onder het bodemoppervlak.

De Maartensdijkse weidevogels zijn binnen enkele decennia zo goed als uitgestorven

Veel heb ik in de afgelopen veertig jaren in de omgeving van het dorp Maartensdijk zien veranderen in de samenstelling van de vogelwereld. Een aparte plaats nemen gegevens in die betrekking hebben op waamemingen die ik deed in het weilandgebied direct ten zuiden van het dorp, gelegen tussen Prinsenlaan in het oosten, het fietspad Oostveense Pad in het westen en de Nieuwe Weteringseweg in het zuiden. Die veranderingen zijn voor wat betreft de weidevogels dramatisch. Een herstel is nauwelijks te verwachten. Er was een decimering van het aantal broedende kieviten in het gebied ten zuiden van Maartensdijk: waren het in 1986 meer dan zestig paren, in de jaren daarvoor en tot in de jaren negentig vele tientallen, in 2009 en 2010 zal het aantal in dat gebied hooguit nog 10% van het eerdere broedbestand hebben bedragen. De grutto is in de loop van de jaren negentig uit de weilanden ten zuiden van Maartensdijk verdwenen. Ook de veldleeuwerik is hier aan het eind van de jaren negentig uitgestorven. De tureluur hield lang stand maar ruimt tenslotte in 2008 hier ook het veld.

30 wetenschappelijke studies in slechts 2 jaar bewijzen de oorzaak van de bijencrisis: neonicotinoiden

De Italiaanse Federatie van Bijenhouders Verenigingen heeft onlangs een beknopt overzicht samengesteld van de lawine aan wetenschappelijke studies van de laatste twee jaar die het causale verband tussen het gebruik van systemische insecticiden en de bijen crisis aantonen. Het ultieme bewijs voor de bepalende rol van het neonicotinoide insecticide imidacloprid bij de sinds enkele jaren sterk verhoogde bijenvolksterfte (tabel 5 in de bijlage) wordt geleverd met een wiskundige vergelijking, die het verband beschrijft tussen de blootstellingsconcentraties en blootstellingstijd totdat een dodelijke werking optreedt. Als je dus weet met hoeveel imidacloprid de nectar en het stuifmeel (dat was meegenomen naar de bijenkast) besmet waren, kun je uitrekenen na hoeveel tijd bijensterfte zal optreden. Dat bleek in het onderhavige geval binnen 14 dagen te zijn. Aangezien winterbijen een levensverwachting van enkele maanden hebben, betekent deze dodelijke werking dus gegarandeerd het einde van een bijenvolk.

Het bewijs werd geleverd door de Spaanse geleerde Francisco Sanchez-Bayo, die samen met zijn Japanse collega Kouichi Goka op 15 april 2012 een weerwoord op de literatuurstudie van Tjeerd Blacquiere c.s.. bij het tijdschrift Ecotoxicology had ingediend, dat echter op 2 augustus 2012 werd afgewezen door Lee R. Shugart, PhD, Editor-in-Chief van Ecotoxicology (terwijl twee van de drie reviewers van mening waren dat het manuscript - met geringe nader omschreven wijzigingen - geschikt was voor publicatie). In de literatuurstudie van Tjeerd Blacquiere et al. (Blacquière, T., Smagghe, G., van Gestel, C., Mommaerts, V., 2012. Neonicotinoids in bees: a review on concentrations, side-effects and risk assessment. Ecotoxicology 21, 973–992), die ook aan de Tweede Kamer is aangeboden, wordt vastgesteld dat de NOEL (no-observable-effect-level) voor imidacloprid bij 20 ppb ligt, maar het werk van Tennekes toont aan dat zelfs een 100-voudig geringere concentratie (0, 2 ppb) nog sterfte binnen de levensverwachting van honingbijen veroorzaakt. De risico's zijn dus schromelijk onderschat.
Desalniettemin lijken de meeste regelgevende instanties tot nu toe niet bereid om deze ongemakkelijke waarheid te accepteren. De neonicotinoïden zijn nog steeds in meer dan 100 landen toegelaten op meer dan 140 gewassen en daarnaast in het landschapsbeheer, de bosbouw, in tuinen, op sportvelden, en voor ongediertebestrijding bij huisdieren. De neonicotinoïden zijn moeilijk afbreekbaar en mobiel in de bodem en komen gemakkelijk in het grond- en oppervlaktewater terecht. Als gevolg daarvan verdwijnen insecten nu geruisloos over de hele wereld, hetgeen uiteindelijk de voedselketen zal breken en een einde zal maken aan het leven zoals wij het kennen. Dit rampscenario gaat ons allen aan.