De middelste zaagbek neemt sinds eind jaren 1990 in aantal toe

De middelste zaagbek (Mergus serrator) is in Nederland een uiterst schaarse broedvogel. Tussen 1900 en 1950 waren drie broedgevallen bekend. Tussen 1950 en 1977 werden wat meer broedgevallen waargenomen, vooral op de Waddeneilanden. De vogel werd in 1977 broedend aangetroffen in het Deltagebied (Zeeland) en tussen die datum en 1997 liep het aantal waargenomen broedvogels (vaak vrouwtjes met jongen) op tot boven de dertig. Volgens SOVON is in 2007 het aantal broedparen 35 tot 45. De middelste zaagbek verblijft vooral in estuaria en is voornamelijk viseter. Hij bejaagt en bemachtigd zijn vis onder water. De soort heeft circa 300 gr vis per dag nodig. Het bestaat vooral uit soorten zoals spiering, maar incidenteel ook uit paling. Daarnaast eet de middelste zaagbek ook (water)insecten, kreeftachtigen, wormen en zoetwatermollusken.

De kleine zilverreiger neemt sinds de jaren 1990 sterk in aantal toe

De kleine zilverreiger (Egretta garzetta) is gebonden aan waterrijke milieus, zoals zoet-, brak- en zoutwatermeren, moerassen en getijdengebieden. Watervogeltellingen en losse waarnemingen laten zien dat in geheel laag Nederland, incl. de rivieren, geregeld kleine zilverreigers voorkomen. Het zwaartepunt ligt in de Delta (Grevelingen, Oosterschelde, Westerschelde). Ook in de Waddenzee is de soort relatief veel aanwezig. In de 20ste eeuw was de kleine zilverreiger tot 1980 een uiterst zeldzame vogel. Het eerste broedgeval was in 1979 in de Oostvaardersplassen. Een tweede broedpoging was in 1994 op Voorne. Daarna nam het aantal broedvogels snel toe. Volgens SOVON waren er in 2007 ca. 130 broedvogels op 14 verschillende locaties. De kleine zilverreiger is voornamelijk viseter. Zijn voedsel bestaat uit kleine vissen van meestal 1-4 cm lengte, bijv. driedoornige stekelbaarzen. Daarnaast eet de kleine zilverreiger ook garnalen en andere kleine kreeftachtigen, amfibieën en insecten.

Het aantal slechtvalken is sterk gestegen sinds 1990

De slechtvalk (Falco peregrinus), vermaard om zijn stootduikende jachttechniek, is gespecialiseerd op vogels, vooral op middelgrote watervogels zoals eenden en steltlopers en duiven. en verblijft vooral in waterrijke ‘wetlands’ met zoute of zoete wateren en in waterrijke polderlandschappen (Waddengebied, het Deltagebied en de open, waterrijke delen van Flevoland, en in het Noord- en Zuid-Nederlandse poldergebied). In de jaren 1960 kreeg de slechtvalk in Europa bijna de doodsteek wegens het overmatige gebruik van DDT. Sinds het verbod op gechloreerde koolwaterstoffen (insecticiden w.o. DDT) zijn ze opnieuw aan een opmars bezig. Sinds 1990 stijgt hun aantal snel, deze vogel broedt nu onder andere in speciale nestkasten, hoog op elektriciteitscentrales. Volgens SOVON nam het aantal broedparen in de periode 1990-2007 toe van 1 tot boven de 40 in 2007. In 2009 is dit aantal gestegen tot rond de 60, er broeden nu in alle Nederlandse provincies slechtvalken.

De braaklegging van akkergronden in Oost-Groningen heeft de grauwe kiekendief van de ondergang gered

In de eerste helft van de twintigste eeuw broedde de Grauwe Kiekendief (Circus pygargus) in grote delen van Nederland in uiteenlopende biotopen als vochtige duinen, moerassen, hoogveen en heidevelden, en ook in gebieden met antropogene invloeden, met name braakliggende ingepolderde gebieden, graanculturen en jonge bosaanplant. De vogel jaagt door vaste routes af te vliegen, prooi vangend in plotselinge stootduik en voedt zich voornamelijk met kleine, op de grond levende dieren, zoals zangvogels, knaagdieren, hagedissen en insecten. De grauwe kiekendief is in de loop van de vorige eeuw gestaag in aantal afgenomen; van 500-1000 paar rond 1900, 250 paar in 1950 en 50 paar in 1980 tot minder dan tien paar in 1990. De grootschalige braaklegging van akkergronden in Oost-Groningen leidde onverwacht tot een - mogelijk slechts tijdelijke - opleving van de soort; hier broeden de laatste jaren 10 tot 20 paren. SOVON schat het huidige broedbestand op 29-45 paar.

Veel ernstig bedreigde vogelsoorten op de Nederlandse rode lijst van 2004 zijn inmiddels door een gebrek aan insecten weggevaagd

Op de Nederlandse rode lijst van vogels staan alleen soorten die zich in Nederland voortplanten, dus geen overwinterende vogels. De rode lijsten worden eens in de 10 jaar bijgewerkt. De volgende vogelsoorten stonden als 'ernstig bedreigd' op de rode lijst van 2004: Draaihals (Jynx torquilla), Duinpieper (Anthus campestris), Dwergmeeuw (Larus minutus), Grauwe gors (Miliaria calandra), Grauwe kiekendief (Circus pygargus), Kemphaan (Philomachus pugnax), Klapekster (Lanius excubitor), Korhoen (Tetrao tetrix), Kuifleeuwerik (Galerida cristata), Ortolaan (Emberiza hortulana), Velduil (Asio flammeus), Woudaap (Ixobrychus minutus). Veel van deze soorten zijn inmiddels door een gebrek aan insecten uitgestorven.

Van de bedreigde vogelsoorten op de Nederlandse rode lijst van 2004 gaan alleen de insecteneters verder achteruit

Op de Nederlandse rode lijst van vogels staan alleen soorten die zich in Nederland voortplanten, dus geen overwinterende vogels. De rode lijsten worden eens in de 10 jaar bijgewerkt. De volgende vogelsoorten staan als 'bedreigd' op de rode lijst van 2004: Engelse gele kwikstaart (Motacilla flava ssp. flavissima), Grauwe klauwier (Lanius collurio), Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus), Grote stern (Sterna sandvicensis), Paapje (Saxicola rubetra), Pijlstaart (Anas acuta), Purperreiger (Ardea purpurea), Roerdomp (Botaurus stellaris), Strandplevier (Charadrius alexandrinus), Tapuit (Oenanthe oenanthe), Watersnip (Gallinago gallinago), Zwarte stern (Chlidonias niger). Verdere achteruitgang wordt alleen bij de insectenetende soorten waargenomen. Visetende soorten zoals Grote stern en Purperreiger doen het sinds 1990 opvallend goed.

Van de kwetsbare vogelsoorten op de Nederlandse rode lijst van 2004 gaan alleen de viseters vooruit

Op de Nederlandse rode lijst van vogels staan alleen soorten die zich in Nederland voortplanten, dus geen overwinterende vogels. De rode lijsten worden eens in de 10 jaar bijgewerkt. De volgende vogelsoorten staan als 'kwetsbaar' op de rode lijst van 2004: Bontbekplevier (Charadrius hiaticula), Boomvalk (Falco subbuteo), Dwergstern (Sterna albifrons), Groene specht (Picus viridis), Kerkuil (Tyto alba), Koekoek (Cuculus canorus), Kwartelkoning (Crex crex), Nachtegaal (Luscinia megarhynchos), Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), Patrijs (Perdix perdix), Porseleinhoen (Porzana porzana), Ransuil (Asio otus), Slobeend (Anas clypeata), Snor (Locustella luscinioides), Steenuil (Athene noctua), Visdief (Sterna hirundo), Wielewaal (Oriolus oriolus), Wintertaling (Anas crecca), Zomertaling (Anas querquedula), Zomertortel (Streptopelia turtur). Verdere achteruitgang wordt bij de meeste insectenetende soorten waargenomen. Visetende soorten zoals Dwergstern en Visdief daarentegen doen het sinds 1990 opvallend goed.

Met de moerasviooltjes verdwijnt ook de zilveren maanvlinder

In Nederland was de Zilveren maan (Clossiana selene) vroeger een algemene standvlinder, maar nu is hij bijna verdwenen. Deze vlindersoort komt nog voor in het veenweidegebied op de grens van Utrecht en Zuid-Holland, in de kop van Overijssel, in Friesland en op Terschelling. In het verleden bestonden er populaties van de Zilveren maan in Limburg, onder meer op de Brunssummer- en Schrieversheide, in Epen langs de Terzieterbeek en bij de Breukberg en het Heringsbosch. De vlinder kwam ook in Midden Limburg voor, in de Kruispeel nabij Weert, in de omgeving van Vlodrop-Station op de Meijnweg en in het Haeselaarsbroek bij Echt. In deze gebieden kwamen moerasviooltjes (Viola palustris) voor, de belangrijkste voedselplant (ook wel waardplant genoemd) voor de rupsen van de Zilveren Maanvlinder. Ze overwinteren in de omgerolde randen van de bladeren en eten er zowel voor als na de winter van. De belangrijkste eis die de vlinder aan zijn leefgebied stelt is een hoge dichtheid aan deze waardplanten. Er is onderzocht dat er minstens 30 viooltjes per m2 moeten voorkomen. Aan deze eis wordt alleen nog voldaan in moerasgebieden in Noordwest Overijssel, Noord- en Zuid-Holland en Midden Friesland.

Het veenhooibeestje is bijna uit het Nederlandse landschap verdwenen

Het veenhooibeestje (Coenonympha tullia) was aan het begin van de twintigste eeuw een algemeen vlindertje dat in vrijwel alle hoogvenen en veentjes van de zand- en veengronden voorkwam. Daarna liepen de verspreiding en de aantallen langzaam maar zeker terug. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het nog een vrij zeldzame standvlinder. Hij vloog toen nog in redelijk aantallen in venen en veentjes in Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en de Grote Peel. Daarbuiten lagen ook nog enkele geïsoleerde populaties, zoals in Friesland. Daarna ging de soort nog verder achteruit. In 1991 verdween hij uit de Grote Peel, in 1995 uit de Achterhoek. De laatste waarneming uit Overijssel stamt uit 2000. Tegenwoordig is het veenhooibeestje bijna uit het Nederlandse landschap verdwenen. Ook op Europese schaal is het veenhooibeestje een kwetsbare soort die de laatste 25 jaar met twintig tot vijfentwintig procent is achteruitgegaan. Naast zijn beschermde status volgens de Nederlandse flora- en faunawet, staat de soort ook op de Vlaamse, Waalse, Duitse en Britse Rode Lijst.

Het verdwijnen van de blauwgraslanden betekende ook het einde voor de moerasparelmoervlinder

In Nederland kwam de moerasparelmoervlinder (Euphydryas aurinia) aan het begin van de twintigste eeuw in vrijwel alle schrale graslanden van de voedselarme zandgronden, het veenweidegebied en de duinen voor. Op de zandgronden en het veenweidegebied vloog hij in de blauwgraslanden, in de duinen vloog hij boven nat, schraal grasland en in Zuid-Limburg op kalkgraslanden. Met het verdwijnen van de blauwgraslanden ging het ook bergafwaarts met de moerasparelmoervlinder. De moerasparelmoervlinder is sinds 1982 uit Nederland verdwenen. De laatste populatie bevond zich bij de Meije in het Utrechts veenweidegebied. De moerasparelmoervlinder is verdwenen uit Vlaanderen en staat op de Waalse, Duitse en Britse Rode Lijst. Vlinders die leven in vochtige graslanden en blauwe knoop als waardplant gebruiken zijn inmiddels zeer zeldzaam en beperkt tot enkele kleine populaties in België, Frankrijk en Duitsland. Voor deze vlinders ziet het voortbestaan er in Noordwest-Europa somber uit.