Het broedareaal van de zwarte stern is sinds 1970 met tweederde afgenomen - in Vlaanderen is de soort verdwenen

Rond 1950 was de zwarte stern Chlidonias niger met 13.000 tot 20.000 broedparen een talrijke vogel in laaggelegen delen van Nederland. Hiervan waren er in 1992/97 nog 1200 over. Volgens SOVON is er sinds 1990 geen significante aantalsverandering. Rond 2007 broedden er nog steeds ongeveer 1200 paar in Nederland. Dit betekent dat het niveau tegenwoordig 85% lager ligt dan in 1950. In vergelijking met de jaren 1970 is het broedareaal met tweederde afgenomen. De zwarte stern is in 2004 als bedreigd op de Nederlandse rode lijst gezet. Deze stern staat ook op de Vlaamse rode lijst maar dan als verdwenen uit Vlaanderen. De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. In de jaren 1990 ging de soort ook in veel Oost-Europese landen achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De broedbiotoop bestaat vooral uit zoetwatermoerassen, vennen, uiterwaarden, plassen en sloten, en oevers van meren en langzaam stromende rivieren. Van belang is de aanwezigheid van drijvende waterplanten waarop de nesten worden gebouwd. Zwarte sterns eten in de broedtijd veel insecten en andere kleine ongewervelde dieren. Naast een voldoende groot aanbod van insecten is de aanwezigheid van visrijk water binnen een straal van 5 km van het nest van belang, omdat vissen een noodzakelijke aanvulling op het dieet van de zwarte stern vormen.

De veldleeuwerik - in 1970 de meest verspreid voorkomende vogel in Nederland - staat op de rode lijst in de Benelux

In de jaren 1970 was de veldleeuwerik Alauda arvensis de meest verspreid voorkomende vogel in Nederland. Veldleeuweriken waren te vinden in open velden, weiden, veengebieden, akkers, en ’s winters vaak op woeste grond, geploegde akkers, en stoppelvelden. Het aantal broedparen in Nederland is dramatisch achteruit gegaan van 700.000 in de jaren 1970 naar slechts 38.000 paar in 2010. Volgens de Vogelbescherming is het bestand sinds 1980 met 90% afgenomen. De kans om op een zomerse dag de uitbundig klinkende zang van een veldleeuwerik te horen is zo goed als nul geworden en de vogel staat sinds 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst, als kwetsbaar op de Vlaamse rode lijst, en als bedreigd op de Duitse en Luxemburgse rode lijst. De soort ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Noord-West-Europa en Zuid-Oost-Europa sterk achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Stabiele broedpopulaties werden alleen in Centraal en Oost-Europa gezien.

De veldleeuwerik eet insecten en zaden en zoekt voedsel op de grond. Van alle boerenlandvogels heeft de veldleeuwerik de hardste klappen gekregen. Insecticiden en herbiciden hebben hun werk gedaan in agrarisch cultuurland. Er zijn nu minder bloemen, kruiden en insecten.

Grauwe vliegenvangers gaan achteruit sinds 1990

Grauwe vliegenvangers Muscicapa striata broeden in gevarieerde loofbossen, dorpen met oude bomen en kleinschalig agrarisch landschap. Vanaf één of meerdere vaste uitkijkposten maken ze korte snelle vluchten achter vliegende insecten aan, die vaak in de lucht gevangen worden of van bladeren worden afgepikt. Grauwe vliegenvangers maken daarbij geen gebruik van een verstopplaats, maar zitten heel stil tot een geschikte maaltijd langs komt vliegen. De soort staat as gevoelig op de Nederlandse rode lijst omdat de grauwe vliegenvanger sinds 1980 (en mogelijk al eerder) geleidelijk afneemt. Volgens SOVON is er een afname van <5% per jaar sinds 1990. Het totale aantal broedparen wordt nu geschat op 20.000 tot 30.000 paren. Ook in België, Frankrijk, Engeland en Noorwegen is de soort in de periode 1990-2000 achteruit gegaan (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De ransuil maakt moeilijke tijden door

In open gebieden met voldoende landschapselementen als bosjes, houtwallen en dichte hagen vind de ransuil Asio otus zijn voedsel, dat hoofdzakelijk uit (veld)muizen bestaat. In tijden van muizenschaarste schakelen veel ransuilen over op het eten van kleine vogels. De ransuil jaagt in gebieden met lage vegetatie, zoals moerassen, weilanden, akkers. Duidelijk is dat deze uilensoort moeilijke tijden doormaakt; de aantallen zijn lager dan circa dertig jaar geleden. Volgens SOVON daalde het aantal broedparen in de periode 1990-2007 met meer dan 5% per jaar. Er broedden in 2007 nog ongeveer 5500 paar in Nederland. Deze uil is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. Ook in Engeland, Duitsland en Zwitserland is de broedpopulatie in de periode 1990-2000 afgenomen (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De slobeend staat sinds 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst

De slobeend Anas clypeata leeft in ondiep, modderig water, poelen en plassen in of bij rietvelden en graslanden begrensd met overvloedige opgaande vegetatie en behoort tot de (secundaire) weidevogels. Volgens SOVON was er sinds 1990 een significante afname in aantallen broedvogels en waren er in 2007 nog circa 8500 broedparen in Nederland. Omdat de afname in aantallen broedvogels zorgelijk is, werd soort in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. De soort staat als bedreigd op de Duitse rode lijst. Hoewel er hoogstens 1000 slobeenden in Vlaanderen broeden, staat de soort niet op de Vlaamse rode lijst. Ook in Polen en de Ukraine gingen broedbestanden in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De slobeend zoekt zowel aan de oppervlakte als duikend voedsel en eet garnaaltjes, slakken, insecten en larven, en zaden van waterplanten.

Met de eidereend gaat het weer bergafwaarts

Vrijwel de gehele Nederlandse broedpopulatie van de eider Somateria mollissima nestelt op de Waddeneilanden (met name op Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog). Zeer kleine aantallen broeden langs de Fries-Groningse Waddenkust en in het Deltagebied (op Neeltje Jans en in de Oosterschelde). Eidereenden broeden sinds 1906 in het Nederlandse Waddengebied. Aanvankelijk namen de aantallen hier toe, totdat lozingen van uit de Rijnmond afkomstige vergiften eind jaren zestig een massale sterfte veroorzaakten. Na een verbod op de belangrijkste veroorzakers trad een herstel op; midden jaren tachtig bedroeg de stand 5000-7000 broedparen. Sindsdien gaat het weer bergafwaarts. In andere delen van Europa was de soort in de periode 1990-2000 stabiel, met uitzondering van een afnemende populatie in IJsland (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Het porseleinhoen komt steeds meer in het nauw

De verspreiding van het porseleinhoen Porzana porzana is tegenwoordig geconcentreerd in moerasrijke gebieden langs de Friese IJsselmeerkust, in Midden- en Zuid-Friesland, het Lauwersmeer, de Kop van Overijssel en Flevoland (Oostvaardersplassen). De soort komt voorts met kleine aantallen voor in het laagveengebied (Zaanstreek), het rivierkleigebied (Rivierengebied), het zeekleigebied (Groningen, Zeeuws-Vlaanderen) en hier en daar op de hoge gronden (Drenthe, Peel). Deze soort kwam de afgelopen decennia steeds meer in het nauw in Nederland. De broedpopulatie, die in de periode 1979-1983 nog gemiddeld 590 paren telde, bedroeg in 1999-2003 gemiddeld 220 paren. In de jaren negentig is de broedpopulatie ook achteruit gegaan in Duitsland, Zwitserland, Finland, Slowakije, Litouwen en de Ukraine (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd.

Het voedsel bestaat grotendeels uit insecten en weekdieren, die worden gevangen in de slikranden.

Sterke achteruitgang van de fluiter vanaf begin jaren negentig

De Fluiter Phylloscopus sibilatrix leidt een vrij onopvallend bestaan, maar is toch echt een van de mooiste zangvogeltjes van Nederland. De Fluiter broedt in hoogopgaand bos met weinig ondergroei, en is te vinden in de bosrijke hoge gronden van Oost-, Midden- en Zuid-Nederland, en op verspreide locaties in de duinstrook en de Waddeneilanden. De soort is vrijwel afwezig op de lager gelegen, vochtige klei- en veengronden van Noord- en West-Nederland. Het voedsel bestaat voornamelijk uit ongewervelden. De Fluiter fourageert hoog in de bomen en op de grond. Het aantal broedparen van de Fluiter neemt af. Vanaf begin jaren negentig vallen de aantallen zelfs sterk terug. De soort gaat sinds de jaren negentig vrijwel overal in West-Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De matkop komt in de laagveengebieden van Nederland nauwelijks meer voor

Matkoppen Parus montanus broeden in vochtige bossen. Ze nestelen in verrot en zacht hout. In het voorjaar en vroege zomer bestaat het voedsel vooral uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. Vanaf de late nazomer staan er ook zaden op het menu. In Nederland broeden zo'n 20.000 tot 30.000 paren matkoppen. Dat zijn er fors minder dan enkele decennia geleden, toen nog ongeveer 40.000 tot 60.000 paren geteld werden. Vooral in de laagveengebieden en de Noordoostpolder is de afname erg sterk. Volgens SOVON daalde het aantal broedparen in de periode 1990-2007 significant. Daarom staat de soort als gevoelig op de Nederlandse rode lijst. De matkop staat ook op de Vlaamse rode lijst, als kwetsbaar. Ook in Scandinavië, Engeland en Frankrijk is de soort sinds de jaren 1990 achteruit gegaan (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De snor is sinds 1980 over grote oppervlaktes verdwenen en komt in Vlaanderen nauwelijks meer voor

De snor Locustella luscinoides is een broedvogel van dichtbegroeide oevers van meren, moerassen en kreken, die zijn nest bouwt in overjarig riet of kruidachtige vegetaties die in het water groeien. Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden, die uit de vegetatie of van de grond worden gesnapt. De snor nam in Nederland toe toen de Flevopolders droog vielen en daarin enorme rietvelden ontstonden. Elders in Nederland bleek dat de vogel juist in aantal afnam, ook in de voormalige bolwerken in het Utrechts/Hollands plassengebied en de Friese meren. In de periode 1965-1991 bedroeg de afname in aantallen 60-70% in Noord- en Zuid-Holland en 80% of meer in Midden-Nederland en Zeeuws-Vlaanderen. De snor is sinds 1980 over grote oppervlaktes verdwenen en het aantal broedparen bereikte in Vlaanderen in 2002 een dieptepunt van nog slechts 10 paar. Ook in Engeland, Duitsland, Spanje, Italië, Slowenië en Moldavië gingen in de jaren 1990 de broedpopulaties achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).