De broedpopulatie van de kuifmees is sinds 1990 gedaald

De kuifmees Parus cristatus is een talrijke broedvogel die voornamelijk in naaldbossen broedt, soms ook in groepen naaldbomen, die tussen loofbomen en in parken staan. In tegenstelling tot de koolmees en pimpelmees is de kuifmees zelden in tuinen te zien, alleen als er naaldbomen in de omgeving aanwezig zijn. Zijn voedsel bestaat in de zomer uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. In het najaar en de winter eet hij vooral zaden van naaldbomen. De kuifmees nestelt in zelfgemaakte holen in vermolmd of heel zacht hout. In Nederland broeden minstens 20.000 tot 30.000 paren kuifmezen. Volgens de gegevens van SOVON is er sinds 1990 een significante afname van het aantal broedvogels van <5% per jaar. Ook in Frankrijk, Zweden en Rusland nam de broedpopulatie in de jaren 1990 af (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedvogelpopulatie van de sijs vertoont sinds 1990 een significante afname

De sijs Carduelis spinus is in Nederland vooral een wintergast, maar tegenwoordig broedt hij ook in ons land. In de sparrenbossen van Scandinavië is de soort erg talrijk en het nest wordt meestal in een naaldboom gemaakt. De sijs eet zaden van naaldbomen, elzen, berken en andere bomen, knoppen en insecten. Grote aantallen sijzen bevolken in de winter Nederlandse tuinen. We kunnen de sijs dan regelmatig aantreffen op vetbollen en netjes met pinda’s die we in de tuin hebben opgehangen. In de periode vóór 1970 was de sijs een zeer schaarse broedvogel in Nederland. In het begin van de jaren '70 nam de stand toe naar 25-30 paren, later 300-700 paren en begin jaren '80 tot zo'n 1.800 -2.400 paren in 1992. Uit tellingen in 1998 bleken 500 - 1.200 paren in Nederland gebroed te hebben. Volgens de gegevens van SOVON vertoont de broedvogelpopulatie van de sijs sinds 1990 een significante afname van <5% per jaar. De Europese populatie sijzen was in de jaren 1990 grotendeels stabiel (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Tegenovergestelde ontwikkelingen van insectenetende en plantenetende grondeleenden sinds de invoering van imidacloprid

Grondeleenden onderscheiden zich van andere eenden doordat ze onder meer hun voedsel meestal aan het oppervlak van ondiep water zoeken of daaronder. Daarbij steekt het achterlichaam rechtop uit het water en bevinden kop en hals zich onder water. De broedpopulaties van soorten die in de broedtijd afhankelijk zijn van insecten, zoals de wilde eend, wintertaling, zomertaling en slobeend, vertoonden volgens de gegevens van SOVON sinds 1990 een significante afname van <5% per jaar, terwijl de broedpopulatie van de plantenetende krakeend sinds 1990 een sterke toename van >5% per jaar liet zien. Ook de overwinterende populatie van de smient, een typische planteneter, is sterk toegenomen.

De broedpopulaties van de smient in Noord Europa waren in de jaren 1990 stabiel

De smient (Anas penelope, vroeger bekend als Mareca penelope) verblijft het hele jaar door in Nederland, maar vooral van oktober tot maart. Het merendeel houdt zich op in de kuststrook en in de natte veenweidegebieden van Noord-Holland en Friesland. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de polders van Zuid-Holland en Utrecht, de randen van het IJsselmeer, Markermeer en de grote rivieren. Het voedsel van de smient is hoofdzakelijk plantaardig, zoals bladeren, stengels, jonge loten, wortelstokken en soms zaden. Vooral in het najaar is de soort kustgebonden en foerageert op zeesla, kweldergrassen en zeekraal.Het aantal smienten dat in Nederland overwintert is in de periode 1967 - 1989 sterk toegenomen, in de 90'er jaren stabiliseerden de aantallen zich. Het aantal smienten dat in Nederland broedt zal zeker niet meer zijn dan 20 tot 30 paar. In de jaren 1990 waren de broedpopulaties in Noord Europa stabiel of namen zelfs toe (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de wilde eend is sinds 1990 gedaald

De Wilde Eend Anas platyrhynchos komt verspreid over heel Nederland voor. Ze hebben een voorkeur voor waterrijke gebieden met voldoende dekking. Ze schuwen de nabijheid van de mens niet en zijn ook in het stedelijke gebied, in vijvers en grachten talrijk (veelal in gezelschap van tamme vogels). In juli en augustus komen grote ruiconcentraties voor in de Oostvaardersplassen, de Biesbosch, de Dollard en het Deltagebied. In september en oktober verblijven in het Deltagebied, het IJsselmeergebied en de Waddenzee grote aantallen. In november nemen ook in het rivierengebied de aantallen sterk toe. Op het menu staan waterinsecten en waterplanten. De wilde eend eet vroeg in het jaar zaden en groene plantedelen, ’s zomers meer dierlijk voedsel; in herfst en winter planten en zaden. Volgens SOVON nam de broedpopulatie sinds 1990 significant af (<5% per jaar). Ook in veel andere delen van Europa nam het aantal broedvogels in de jaren 1990 af (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Sterke afname van de tjiftjaf in Frankrijk en Belgie in de jaren 1990

De tjiftjaf (Phylloscopus collybita) komt in heel Europa voor en is een zeer algemene broedvogel in Nederland. De Tjiftjaf lijkt als twee druppels water op de Fitis, maar door middel van de zang zijn de fitis en de tjiftjaf eenvoudig te onderscheiden. Tjiftjaffen zijn bosvogels die houden van een rijke ondergroei; veel struikgewas en lage bomen. De vogel eet voornamelijk insecten en fourageert vaak op de grond. Volgens SOVON was er in Nederland sinds 1990 geen verandering in het aantal broedvogels, maar in Frankrijk en Belgie ging de tjiftjaf in de jaren 1990 sterk achteruit. Ook in Zweden, Finland, Griekenland en Ierland daalde het aantal het aantal broedvogels in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De fitis gaat sinds de jaren 1990 in grote delen van Noord-West-Europa achteruit

De fitis Phylloscopus trochilus komt tijdens het broedseizoen (maart tot augustus) in geheel Midden- en Noord-Europa voor, en broedt in hoge dichtheden in venen, jonge bossen en heiden. In open agrarisch gebied is de soort veel minder algemeen. Fitissen broeden op de grond - bij voorkeur tussen grassen - maar hebben beslist enkele bomen nodig als zang- en uitkijkpost. Hun voedsel, dat voornamelijk bestaat uit insecten zoals muggen, rupsen en andere ongewervelden, wordt vooral in struwelen gezocht. Volgens SOVON neemt de broedpopulatie sinds 1990 af. Ook in andere delen van Noord-West-Europa ging de fitis in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de krakeend in Nederland is binnen enkele decennia geëxplodeerd

De krakeend Anas strepera is een typische soort van vrij grote wateren. In augustus bevinden de belangrijkste pleisterplaatsen zich in Friesland, de Flevopolders, de Biesbosch, de infiltratiegebieden in de duinen en langs de randen van het IJsselmeergebied. In de winter zijn vooral het IJsselmeergebied, de noordelijke Delta en het benedenrivierengebied van belang. Krakeenden zijn planteneters, die foerageren langs de oevers van de wateren (o.a. op wieren op basaltblokken) waar ze verblijven. Ze houden nogal van wateren met allerlei kunstmatige dammen, taluds en dergelijke; waarschijnlijk vormen de draadalgen en wieren welke op het stenige substraat groeien een geliefde voedselbron. Het gaat de krakeend in Nederland voor de wind. Vergeleken met enkele decennia geleden is de populatie in Nederland geëxplodeerd, van 550-800 paren in 1973-1975 tot 6.000 tot 7.000 paren in 1998-2000. Volgens SOVON was er sinds 1990 significante toename van >5% per jaar. Ook in veel andere delen van Europa was er een sterke toename van de broedpopulatie van de krakeend in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Als broedvogel gaat het de wintertaling niet voor de wind - de aantallen namen de laatste decennia steeds verder af

De biotoop van de Wintertaling Anas crecca bestaat uit allerlei ondiepe, zowel zoete als zoute wateren. Tijdens en direct na de broedtijd concentreert de soort zich in de Biesbosch, de Dollard en zuidelijk Flevoland om te ruien. In augustus nemen de aantallen vooral in het Waddengebied, het Lauwersmeer, de Dollard en in zuidelijk Flevoland sterk toe. Het voedsel van de Wintertaling verschilt naar plaats en seizoen: in herfst en winter voornamelijk zaden van waterplanten, ’s zomers meer dierlijk voedsel (slakken, insectenlarven, waterkevers, garnaaltjes, wormen). Als broedvogel gaat het de soort niet voor de wind; de aantallen namen de laatste decennia steeds verder af. In 1990 was er in de meeste gebieden in Nederland een sterke afname van rond de 50% ten opzichte van de periode 1968-1977. Volgens SOVON is er sindsdien nog steeds sprake van een verder gaande en significante afname van <5% per jaar. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 2250 paar in Nederland. Ook in veel andere delen van Europa ging de Wintertaling in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De weidevogels verdwijnen uit Salland en Twente

Van de aantallen weidevogels in Overijssel uit 1994 is nog maar 55% over. Eerst waren het vooral de Grutto Limosa limosa en de Veldleeuwerik Alauda arvensis die met steeds minder paren tot broeden kwamen. De laatste jaren gaat het ook slecht met de Scholekster Haematopus ostralegus en de Kievit Vanellus vanellus. In verschillende delen van Salland en Twente zijn ze nu vrijwel verdwenen. Maar ook in sommige polders in West-Overijssel kan sprake zijn van een sterke achteruitgang.

De Kievit is nog steeds de meeste voorkomende weidevogel, gevolgd door de Grutto. De Scholekster en de Wulp Numenius arquata komen duidelijk minder algemeen. De neerwaartse trend voor de Veldleeuwerik zet door. Ook de Tureluur Tringa totanus gaat verder achteruit. Voor twee kleine, minder opvallende soorten van het open landschap, de Graspieper Anthus pratensis en de Gele kwikstaart Motacilla flava, geldt dat de aantallen constant blijven of iets toenemen.