Negatief verband tussen de biodiversiteit van wilde bestuivers en het insecticidengebruik

De afgelopen jaren gaat het niet goed met insecten die zorgen voor de bestuiving van planten. Het aantal bijen in West-Europa is massaal afgenomen. Ook met hommels, vlinders, motten en zweefvliegen gaat het niet goed. Minder of geen natuurlijke bestuiving kan leiden tot enorme problemen voor onze voedselvoorziening. Tevens zullen er minder verschillende soorten planten overblijven. Van de 22 soorten Nederlandse hommels zijn vijftien soorten in de afgelopen eeuw hard achteruitgegaan en komen nu nog maar in een paar gebieden voor. De oorzaken van de achteruitgang van bestuivers zijn divers, maar bestrijdingsmiddelen spelen een hoofdrol. Residuen van pesticiden werden teruggevonden in grote getale in alle matrices van het honingbijenvolk (bijen, broed, honing, stuifmeel, propolis, was) in grote onderzoeken in Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. In Italië werd een negatief verband beschreven tussen de biodiversiteit van wilde bestuivers en het insecticidengebruik. Op 29-03-2012 werd het causale verband tussen bijensterfte en neonicotinoide bestrijdingsmiddelen in twee artikelen in het tijdschrift Science onweerlegbaar bewezen.

Hommels behoren tot de groep van de wilde bijen. Meer dan vijftig procent ervan staat op de landelijke Rode lijst. Dat betekent dat ze al uitgestorven, zeldzaam of in hun voortbestaan bedreigd zijn. In Zeeland blijkt dat de hommels gemiddeld genomen sterker achteruit zijn gegaan dan de overige wilde bijen. Uit een analyse van de verspreidingsgegevens blijkt dat in Zeeland zelfs wel 61 procent van de hommels op de landelijke Rode lijst staat, waarvan 33 procent inmiddels volledig verdwenen is. Slechts acht soorten zijn nog min of meer algemeen te noemen.

Die achteruitgang is ook bij hommels de laatste jaren heel snel gegaan. Zelfs de wat algemenere soorten als boomhommel Bombus hypnorum en tuinhommel Bombus hortorum lijken nu op hun retour.

De oorzaken van de achteruitgang van bestuivers zijn divers, maar de intensivering en schaalvergroting van de landbouw speelt een hoofdrol. Residuen van pesticiden werden teruggevonden in grote getale in alle matrices van het honingbijenvolk (bijen, broed, honing, stuifmeel, propolis, was) in grote onderzoeken in Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten.

Onlangs werd een analyse gepubliceerd over een groot aantal studies waaruit bleek dat het gebruik van pesticiden een negatief effect had op de biodiversiteit van een paar diergroepen. In Italië werd een negatief verband beschreven tussen de biodiversiteit van wilde bestuivers en het insecticidengebruik.

Soorten insectenbestuivers:

• Kevers, vlinders, motten, vliegen, zweefvliegen
Kevers zijn hard en glad. Het stuifmeel kleeft bijna niet op hun pantser. Vlinders hebben een lange tong, zodat ze weinig in contact komen met het stuifmeel. Vlinders zijn koudegevoelig en van bloemvastheid is er nauwelijks sprake. Zweefvliegen en vliegen zijn meestal ook niet in het stuifmeel geïnteresseerd. Het aandeel van deze groep in de bestuiving van land- en tuinbouwgewassen is zeer gering.

• Solitaire bijen
Solitaire bijen zijn bijen die niet in een gemeenschap leven. Het zijn, zoals de honingbij, ook stuifmeelverzamelaars. Ze zijn behaard en kunnen met hun poten stuifmeel verzamelen. Het zijn dus goede bestuivers. Door hun klein aantal hebben ze echter niet zo'n belangrijk aandeel in de bestuiving van land- en tuinbouwgewassen. Ze zijn wel van grote betekenis voor de bestuiving van wilde planten. Er kan een onderverdeling worden gemaakt bij de solitaire bijen tussen generalisten en specialisten.
• ‘Generalisten’ gebruiken meerdere plantensoorten als nectar en/of stuifmeelbron.
• ‘Specialisten’ halen uitsluitend hun stuifmeel en nectar uit één plantensoort. Door deze gebondenheid aan één plantensoort zijn de specialisten kwetsbaarder dan de generalisten voor veranderingen in hun biotoop.

• Hommels
Hommels zijn sociale insecten. Ze verzamelen stuifmeel en nectar. Ze zijn zeer ijverig en vooral weervast. Hun arbeidsdag begint vroeg en eindigt in de late avond. En toch blijft hun bestuivingcapaciteit binnen beperkte grenzen. Hommels zijn niet bloemvast, ze kunnen van de ene bloemsoort naar de andere vliegen. Dit zorgt natuurlijk niet voor een optimale bestuiving. Hommels hebben in vergelijking met Honingbijen langere beharing, waardoor ze ook beter aangepast zijn aan het leven in koudere klimaten. De hommelkoninginnen vliegen al heel vroeg in het voorjaar uit om een nieuwe kolonie te stichten. Hommels leven net als Honingbijen in kolonies, zij het in veel kleinere éénjarige kolonies met meestal een honderdtal exemplaren. Overwinteren doet de hommelkoningin echter alleen. De koningin moet in het voorjaar helemaal alleen een nieuwe kolonie opbouwen. Op het ogenblik van de bloei zijn deze kolonies dikwijls nog zeer zwak. Slechts na half mei kan men spreken van hommelvlucht. Nochtans zijn de hommels voor sommige gewassen van zeer groot belang, vanwege hun lange tong, b.v. tomaat, klaver ...

• Honingbijen
Het bestuivingwerk in de natuur wordt voor ongeveer 80% tot stand gebracht door de honingbijen. De honingbij is inderdaad de beste bloembestuiver en dit om verschillende redenen.
o Bijen zijn in groot aantal beschikbaar: in de winter 10.000 tot 20.000 bijen, en in de zomer 50.000 tot 80.000 bijen.
o Bijenkolonies zijn verplaatsbaar: men kan de bijen b.v. gaan plaatsen bij het fruit.
o Bijen zijn bloemvast: d.w.z. dat een bij steeds dezelfde bloemsoort blijft bevliegen tot deze uitgebloeid is, wat enorm gunstig is voor bloembestuiving. Een bij bezoekt gemiddeld 100 bloemen per vlucht. Elke vlucht duurt ongeveer 20 tot 30 minuten. Als er 10 vluchten per dag zijn, dan bezoekt 1 bij 1.000 bloemen per dag. Als een bijenvolk 10.000 haalbijen heeft dan worden per bijenvolk per dag 10.000.000 bloemen bezocht.

Bijen zijn bij uitstek geschikte bestuivers omdat ze in tegenstelling tot andere bloem bezoekers, voor hun voedsel volledig afhankelijk zijn van nectar en stuifmeel. In deze groep zien we dan ook diverse aanpassingen van de lichaambouw die gericht zijn op het verzamelen en overbrengen van stuifmeel van plant tot plant. Een dicht haarkleed en geveerde haren zijn daar een voorbeeld van.

Het is duidelijk dat het slecht gaat met de inheemse, wilde bijen. Van de ruim driehonderd soorten bijen van bij ons, zijn tientallen soorten uitgestorven en andere zijn met uitsterven bedreigd. Wilde bijen stellen hoge eisen aan hun leefomgeving. Voldoende bloeiende planten, goede nestgelegenheid en de beschikbaarheid van specifiek nestmateriaal zijn de belangrijkste levensvoorwaarden voor deze bijen.

Bestuiving kan op verschillende manieren gebeuren.
• Zelfbestuiving: het stuifmeel van een bloem komt terecht op de stamper van dezelfde bloem.
• Buurbestuiving: het stuifmeel van een bloem komt terecht op de stamper van een andere bloem van dezelfde plant.
• Kruisbestuiving: het stuifmeel van een bloem komt terecht op de stamper van een bloem van een andere plant.

Zelfbestuiving is meer een uitzondering. Stamper en meeldraden worden bij de meeste bloemen niet gelijktijdig rijp om te voorkomen dat het stuifmeel zou terechtkomen op de stempel van de eigen bloem. Kruisbestuiving is vooral in de fruitteelt van groot belang.

Bij de buur- en kruisbestuiving heeft de plant hulp nodig om het stuifmeel van de ene bloem naar de stempel van een andere bloem over te brengen. Voor waterplanten kan dit via het water gebeuren. Landplanten zijn aangewezen op hulp van de wind (windbestuiving) of insecten (insectenbestuiving).

Bronnen:
http://www.eosmagazine.eu/home/ctl/Detail/mid/485/xmid/2594/xmfid/12.aspx
http://www.natuurbericht.nl/?id=566
http://www.bndestem.nl/regio/zeeland/3427995/Achteruitgang-vlinders-lijk...
http://www.narcis.nl/research/RecordID/OND1343487/Language/nl
http://www.farmlandbirds.net/en/content/wild-bees-are-insect-pollinator-...
http://www.konvib.eu/bestuiving-hoe-imkeren.html
http://konvib.eu/artikels/bijenweide/2064-bijen-en-bestuiving-in-de-natu...
http://www.west-vlaanderen.be/kwaliteit/Leefomgeving/natuur/Documents/bi...