In tegenstelling tot de (sterk afnemende) broedpopulaties van steltlopers (scholekster Haematopus ostralegus, kluut Recurvirostra avosetta, strandplevier Charadrius alexandrinus, bontbekplevier Charadrius hiaticula, watersnip Gallinago gallinago, grutto Limosa limosa, kievit Vanellus vanellus, wulp Numenius arquata, tureluur Tringa totanus, kemphaan Philomachus pugnax), die in de broedtijd afhankelijk zijn van insecten, werd bij de visetende broedpopulaties van aalscholver Phalacrocorax carbo, lepelaar Platalea leucorodia en kleine mantelmeeuw Larus fuscus in de trilaterale Waddenzee sinds 1991 een spectaculaire toename vastgesteld, zo blijkt uit de nieuwste analyse van internationale waddenzeetrends die in 2009 beschikbaar kwam op www.waddensea-secretariat.org. Ook andere visetende broedvogels, zoals de grote stern Thalasseus sandvicensis, de visdief Sterna hirundo en de dwergstern Sterna albifrons doen het uitstekend in het Waddengebied. Onderzoek van SOVON toonde aan dat het broedsucces van omnivore kokmeeuwen Larus ridibundus in de periode 1997-2003 veel hoger was aan de kust dan in het binnenland, mogelijk door een grotere beschikbaarheid van vis aan de kust. Dezelfde tegenovergestelde ontwikkelingen zijn sinds de jaren 1990 ook waargenomen bij het beschermingsplan moerasvogels.
De wulp Numenius arquata leeft in ons land zowel in zoetwatermeren, plassen en rivieren, als in intergetijdengebied en in agrarisch gebied. Geschikte voedselterreinen voor de wulp zijn ondiepe oevers van plassen en rivieren, droogvallende platen in intergetijdengebied en graslandpercelen. Wulpen zijn vooral te zien in het oosten van het land: Drenthe, Overijssel en Noord-Brabant herbergen het leeuwendeel van de Nederlandse wulpen. Ook de Waddeneilanden huisvesten veel wulpen. De gegevens van SOVON duiden er op dat de broedpopulatie van de wulp sinds 1990 significant achteruit gaat. Ook in veel andere delen van Europa vertoont de Wulp sinds de jaren 1990 een dramatische achteruitgang (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. Wulpen moeten op de heide met een steeds grotere maat lantaarn gezocht worden: de stand is er sinds 1990 met 87% gekelderd. In het binnenland bestaat zijn dieet uit regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten) en andere ongewervelden zoals kevers en pissebedden.
De wulp broedt in duinen, weilanden, moerassen, etc., met dichte vegetatie. In het binnenland bestaat zijn dieet uit regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten) en andere ongewervelden zoals kevers en pissebedden. In getijdengebieden bestaat het uit wormen, jonge strandkrabben (vooral ’s zomers) en andere kreeftachtigen, en plaatselijk ook uit schelpdieren.
De populatie van visetende vogels in de Nederlandse binnenwateren groeit gestaag sinds 1981. De aalscholver Phalacrocorax carbo populatie ging van 6.600 paar in 1979-1983 naar gemiddeld 21.000 paren in 1999-2003. De futenpopulatie Podiceps cristatus laat over de periode 1981-2003 een matige toename in aantallen zien. De grote zilverreiger Egretta alba broedt vanaf 1991 jaarlijks in ons land en het aantal stijgt sinds 1998-2000 spectaculair. De ijsvogel Alcedo atthis populatie laat sinds 1981 een sterke toename zien van >5% per jaar. De visarend Pandion haliaetus laat in Nederland sinds 1988 een matige toename zien.
De kleine zilverreiger (Egretta garzetta) is gebonden aan waterrijke milieus, zoals zoet-, brak- en zoutwatermeren, moerassen en getijdengebieden. Watervogeltellingen en losse waarnemingen laten zien dat in geheel laag Nederland, incl. de rivieren, geregeld kleine zilverreigers voorkomen. Het zwaartepunt ligt in de Delta (Grevelingen, Oosterschelde, Westerschelde). Ook in de Waddenzee is de soort relatief veel aanwezig. In de 20ste eeuw was de kleine zilverreiger tot 1980 een uiterst zeldzame vogel. Het eerste broedgeval was in 1979 in de Oostvaardersplassen. Een tweede broedpoging was in 1994 op Voorne. Daarna nam het aantal broedvogels snel toe. Volgens SOVON waren er in 2007 ca. 130 broedvogels op 14 verschillende locaties. De kleine zilverreiger is voornamelijk viseter. Zijn voedsel bestaat uit kleine vissen van meestal 1-4 cm lengte, bijv. driedoornige stekelbaarzen. Daarnaast eet de kleine zilverreiger ook garnalen en andere kleine kreeftachtigen, amfibieën en insecten.
De slechtvalk (Falco peregrinus), vermaard om zijn stootduikende jachttechniek, is gespecialiseerd op vogels, vooral op middelgrote watervogels zoals eenden en steltlopers en duiven. en verblijft vooral in waterrijke ‘wetlands’ met zoute of zoete wateren en in waterrijke polderlandschappen (Waddengebied, het Deltagebied en de open, waterrijke delen van Flevoland, en in het Noord- en Zuid-Nederlandse poldergebied). In de jaren 1960 kreeg de slechtvalk in Europa bijna de doodsteek wegens het overmatige gebruik van DDT. Sinds het verbod op gechloreerde koolwaterstoffen (insecticiden w.o. DDT) zijn ze opnieuw aan een opmars bezig. Sinds 1990 stijgt hun aantal snel, deze vogel broedt nu onder andere in speciale nestkasten, hoog op elektriciteitscentrales. Volgens SOVON nam het aantal broedparen in de periode 1990-2007 toe van 1 tot boven de 40 in 2007. In 2009 is dit aantal gestegen tot rond de 60, er broeden nu in alle Nederlandse provincies slechtvalken.
Five species of wildlife with declining populations have been added to New Jersey’s endangered list, and nine species have been added to the threatened list, the state Department of Environmental Protection announced. The newly-endangered are three species of birds - the black rail Laterallus jamaicensis, the golden-winged warbler Vermivora chrysoptera and the red knot Calidris canutus; the gray petaltail Tachopteryx thoreyi, a species of dragonfly; and the Indiana bat, which is listed as federally endangered. The newly-threatened are three species of birds - the American kestrel, the cattle egret and the horned lark; and six dragonfly species.
In North America, the northern pintail Anas acuta breeds from the prairie pothole region of the Upper Midwest across Canada and Alaska. The northern pintail’s North American population has been in a tailspin since the late 1950s. Numbers have dropped from an estimated 10 million in 1957 to around 3 million today. Loss of habitat and changes in agriculture appear to be the most serious threats to North American pintails.
Einen „dramatischen Rückgang der Wasservögel“ haben Ornithologen in einer über 40 Jahre dauernden, großflächigen Untersuchung von rund 310 Seen und Weihern in Oberschwaben festgestellt. In einer Anfang des Jahres publizierten Übersicht – „Ökologie der Vögel“, Band 32/2, 2010 – stellen die Autoren Rudolf Ortlieb, Brigitte Schaudt und Roland Prinzinger die Bestandsentwicklung von knapp 30 Wasservogelarten von 1967 bis 2008 vor. „In diesen 40 Jahren ist der Gesamtbestand aller untersuchten Arten um mehr als 70 Prozent zurückgegangen. Das ist ein dramatischer Einbruch“, sagt Prof. Dr. Roland Prinzinger. Auch beim NABU sorgen diese Ergebnisse für Aufsehen, zumal viele NABU-Aktive bei der Untersuchung mitgewirkt haben. „Wie die Untersuchung zeigt, sind einige Vogelarten in den vergangenen 40 Jahren so gut wie ausgestorben, etwa die Rohrdommel Botaurus stellaris, die Zwergdommel Ixobrychus minutus, der Drosselrohrsänger Acrocephalus arundinaceus und die Knäkente Anas querquedula“, berichtet Harald Jacoby, Vogelkundler beim NABU. „Die Ergebnisse sind für mich umso erschreckender, als ich weiß, mit wie viel Sorgfalt und Aufwand die Daten über Jahrzehnte gesammelt wurden. An den Zahlen gilt es nichts zu rütteln. Das ist die traurige Realität.“ Selbst früher häufige Arten sind in ihrem Bestand extrem zurückgegangen: das Teichhuhn Gallinula chloropus etwa von rund 200 auf 60 Paare, die Wasserralle Rallus aquaticus von rund 330 auf 30 Paare.
Grondeleenden onderscheiden zich van andere eenden doordat ze onder meer hun voedsel meestal aan het oppervlak van ondiep water zoeken of daaronder. Daarbij steekt het achterlichaam rechtop uit het water en bevinden kop en hals zich onder water. De broedpopulaties van soorten die in de broedtijd afhankelijk zijn van insecten, zoals de wilde eend, wintertaling, zomertaling en slobeend, vertoonden volgens de gegevens van SOVON sinds 1990 een significante afname van <5% per jaar, terwijl de broedpopulatie van de plantenetende krakeend sinds 1990 een sterke toename van >5% per jaar liet zien. Ook de overwinterende populatie van de smient, een typische planteneter, is sterk toegenomen.
De smient (Anas penelope, vroeger bekend als Mareca penelope) verblijft het hele jaar door in Nederland, maar vooral van oktober tot maart. Het merendeel houdt zich op in de kuststrook en in de natte veenweidegebieden van Noord-Holland en Friesland. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de polders van Zuid-Holland en Utrecht, de randen van het IJsselmeer, Markermeer en de grote rivieren. Het voedsel van de smient is hoofdzakelijk plantaardig, zoals bladeren, stengels, jonge loten, wortelstokken en soms zaden. Vooral in het najaar is de soort kustgebonden en foerageert op zeesla, kweldergrassen en zeekraal.Het aantal smienten dat in Nederland overwintert is in de periode 1967 - 1989 sterk toegenomen, in de 90'er jaren stabiliseerden de aantallen zich. Het aantal smienten dat in Nederland broedt zal zeker niet meer zijn dan 20 tot 30 paar. In de jaren 1990 waren de broedpopulaties in Noord Europa stabiel of namen zelfs toe (gegevens Birdlife International, zie bijlage).